Filmacademie 5: Gehoorzaamheid aan autoriteit

geplaatst in: Film & TV, Filmacademie, Maatschappij | 2

(17 sept 2021)  Een middelbare man in hemdsmouwen en met een dikke hoornen bril, kijkt radeloos op. Hij doet mee aan een laboratoriumexperiment. Hij overhoort een (onzichtbare) proefpersoon met een rij korte vragen, en bij foute antwoorden moet hij de man een electrische schok toedienen. Van oplopende sterkte. Als methode om het leren te bevorderen. Maar de proefpersoon achter het muurtje begint te kermen, de schokken doen hem pijn en de bebrilde man maakt zich zorgen. Hij wil ermee stoppen. Naast hem staat de experimentleider, in een grijze stofjas. ‘Er is geen blijvende schade. Gaat u verder met het experiment’, zegt hij. En de Amerikaan met de hoornen bril doet wat hem gezegd wordt. Hij stelt de volgende vraag en dient de volgende schok toe.

Het zijn beelden uit een zwart-witfilm die we als eerstejaars Filmacademiestudenten te zien kregen. In werkelijkheid was de bebrilde man zelf de proefpersoon, in dit wereldberoemd geworden experiment van de Amerikaanse sociaalpsycholoog Stanley Milgram. De rest was nep: er werd niets geleerd, er werden geen echte schokken toegediend, het gekerm was van een acteur. Maar door de lepe opzet werd aangetoond dat maar liefst tweederde van alle proefpersonen bereid was om door te gaan met toedienen van schokken tot aan het maximumvoltage, dat dodelijk was. Tenminste, als ze daartoe werd aangezet door een autoriteitsfiguur. (Als de man in de stofjas even wegliep naar de telefoon, stopten allen meteen!) Het experiment ging eigenlijk over gehoorzaamheid. Een verbijsterend hoog percentage bleek gehoorzaam, zo hoog dat Milgram het zelf nauwelijks kon geloven. Obedience to authority heet zijn boek dat pas tien jaar later verscheen en waar ik intussen al vaak over heb geschreven. (Ook in mijn nieuwe boek over Lentz komt Milgram weer opdraven.) Maar het experiment zelf, van 1962, was al beroemd en berucht lang voor de boekpublicatie, dankzij één kort artikel en vooral dankzij de korte documentaire die ervan gemaakt was.

We zagen de film in een les waar ik met weemoed aan terugdenk. Willem de Vogel, een kalende middelbare man, gaf les in het vak Film en Wetenschap. Veel klasgenoten leken zich weinig te interesseren voor zoiets saais als wetenschap, ik zoog het op. Maar van deze film werden allen stil en sprakeloos: wij, hippies en post-hippies, kinderen van het pas ingetreden antiautoritaire tijdperk van begin jaren zeventig, konden eenvoudig nauwelijks geloven wat we zagen. Uitgebeten zwart-wit beelden van mannen en vrouwen in een kleding en haardracht die alweer volstrekt uit de mode waren, en die met hun optreden lieten zien dat ze nooit geleerd hadden om op te staan tegen foute opdrachten, nauwelijks om hun mond open te doen. Kenden ze het begrip ‘kritisch’ dan helemaal niet? Ze legden een gehoorzaamheid aan de dag, die wij juist royaal hadden leren afschudden. Het woord zelf konden wij al nauwelijks uitspreken zonder diepe afkeer – gehoorzaam, dat was in (dit deel van) mijn generatie een groot taboe geworden. Natuurlijk deed je niet zomaar alles wat je werd opgedragen! We waren toch geen militairen in het leger, nog zo’n veracht instituut.

De film bood een confrontatie met een andere wereld, waarvan we (ik) dachten dat die niet meer bestond. In een schitterend lesuur, dat veel te vroeg ten einde kwam, ik weet niet meer waarom. Snel nog één Vogel-anecdote: tussen neus en lippen door vertelde De Vogel dat hij een ex-student was tegengekomen, die nu werkte in de film. Deze had de leraar op het hart gedrukt om zijn studenten toch vooral te vertellen dat ‘loondienst echt de moeite waard was’. Freelancen, het leek misschien aantrekkelijk, maar als er een ‘dienstverband’ langskwam, pak het met beide handen aan. En deze boodschap bracht Willem de Vogel over aan ons, eerstejaars. Ik had werkelijk geen idee waar hij het over had. Loondienst? De moeite waard? Waar ging dit over? Ik was zeventien, ik wilde een wereld binnenstappen, een kunstvorm én een beroep ontdekken – geld verdienen was nog niet mijn zorg, laat staan de vorm waarin dat moest gebeuren. Wij waren sowieso weinig met geld bezig in die tijd, want dat hoorde bij de (kapitalistische) maatschappij waar we ons tegen afzetten. En het geld dat zo noodzakelijk is om een film te maken was in die jaren redelijk aanwezig op de Filmacademie, mede dankzij een gulle gift van de nieuwbakken filmmiljonairs Verstappen en de la Parra. Ik heb de uitspraak van de bevlogen leraar opgevat als een compleet raadsel en hem daarom onthouden; veel later bleek het een grote waarheid.

Maar we hadden het over gehoorzaamheid, aan autoriteit. En dus ook het tegendeel ervan. Het thema van de film zou voor ons nog belangrijk worden. Autoriteit bestond ook op de Filmacademie, met name in de vorm van de directie en staf. Een schappelijke autoriteit, meestal tenminste. Over mijn kleinere clashes met directeur Koolhaas schreef ik al. Als het serieus werd moest je hem niet tegenspreken. Ik heb dat wel gedaan, en meer dan eens. (Ik had er al wat ervaring in, na jaren van een ‘officiële’ revolte op mijn middelbare school en een langdurige oorlog met autoriteit thuis.) Het begon in het eerste jaar toen ik als assistent mee ging doen aan verschillende eindexamenfilms. Ik verzuimde wekenlang lessen en werd op het matje geroepen. Maar de theorielessen waren gewoon veel minder boeiend dan het praktische filmen, dat voor mij als een openbaring werkte: als bezigheid, leerstof en als vorm van samenwerken en -leven. Dus trok ik me weinig aan van de berispingen en kwam ermee weg. Later clashte ik opnieuw met de directie toen een klasgenoot-regisseur het theoretisch examen, na 2 ½ jaar, niet haalde en van school gestuurd werd. Mijn pleidooi voor hem haalde niets uit, behalve waarschijnlijk dat het mijn groeiende reputatie als opstandige bevestigde. (Hij maakte alsnog een mooie carrière als docufilmer.) Maar de ongehoorzaamheid zou nog groter worden, en zeker niet van mij alleen, zie ook het vorige verhaal, over de Peru-film. Het culmineerde toen ons afstuderen in beeld kwam.

Bij het plannen en toekennen van de eindexamenfilms was het destijds gebruikelijk dat er een soort selectie plaatsvond: zes á acht films, van de meest belovende studenten, waar de anderen aan meededen. In mijn jaar wilden we het anders doen. We vonden dat iedereen die in regie/scenario afstudeerde dan ook een film moest (kunnen) maken, speel- of docu. Gewoon als eerlijk principe. Het ging bij ons om zo’n 10 mensen in een klas van 17. ‘Daar is geen geld voor’ was de eerste tegenwerping. En dan, hoe wil je een crew voor zoveel films bij elkaar vinden? Wij antwoordden dat we het beschikbare geld in gelijke porties gingen verdelen en er zelf voor zouden zorgen dat alles in orde kwam. Het plan werd met hoon en ongeloof begroet, maar omdat de complete klas zich er achter stelde moest het dan maar. Wat de hoofdfuncties betrof spraken we onderling af dat iedereen die zelf een film maakte ook nog bij twee andere zou meewerken in andere functies. Ik maakte een schema van draai- en montageperiodes, waardoor alles op tijd af kon komen. En loos ging het.

In mijn herinnering ging het moeiteloos. Van de antiautoritaire ‘revoltes’ die ik meemaakte moet deze de eenvoudigste geweest zijn, omdat ze zo totaal gedragen werd door een hele klas, zonder dat we er vreselijk over hoefden te ruziën of zelfs te overleggen. Het was een solidariteitsactie die zo vanzelfsprekend en geslaagd was dat ik hem daarna compleet vergeten ben. Pas veel later realiseerde ik me dat wat we gedaan hadden niet erg gebruikelijk was. Of het navolging gekregen heeft weet ik niet. Maar de films kwamen er, alle tien, juist op tijd uit het lab voor de vertoning op een prachtige zomerdag in de warme zomer van 1976. We waren ongehoorzaam geweest én succesvol.

En de autoriteit? Die hield zijn mond. Koolhaas reikte de diploma’s uit met korte toespraakjes per persoon, maar besteedde geen woord, niet één, aan ons opmerkelijke project. Het leek hem waarschijnlijk beter om te doen alsof het op het conto van de academie geschreven kon worden dat allen met een eigen film afstudeerden. Later hoorden we het gerucht dat de directeur onze diploma-uitreiking het liefst helemaal had overgeslagen en aan zijn secretaresse overgelaten. Ik van mijn kant weet nog dat ik serieus overwogen heb om mijn diploma uit zijn handen niet aan te nemen (toch gedaan) en dat ik bij zijn praatje demonstratief van hem wegkeek. Niet aardig, maar de verhoudingen waren te zwaar verzuurd.

‘We waren te rebels voor hem, we maakten teveel amok’ aldus mijn klasgenoot Math. Ik kan me er alleen maar bij aansluiten. Kritisch zijn, en soms ongehoorzaam, was voor ons in die tijd een vanzelfsprekende houding. Het hoorde natuurlijk bij de subcultuur en bij de ‘generatiekloof’ die wij leefden. Maar we hadden er wel degelijk goede redenen voor. Milgram kon tevreden over ons zijn.

Milgramfilm op You Tube: The Milgram Experiment Full Documentary 1962 

2 Antwoorden

  1. Leo de Boer

    Ha Jurrien. Het Milgram experiment wordt altijd in één adem genoemd met het Stanford Prison Experiment uit 1971 waarbij studenten vrijwillig ingedeeld worden in de rol van bewakers en gevangen en de bewakers uiteindelijk zo vreselijk omgaan met de gevangen dat het experiment na een paar dagen afgebroken moet worden. Is ook een mooie docu over gemaakt.
    Overigens wil ik toch een klein beetje begrip vragen voor Koolhaas c.s. die ook maar gevangen zaten in hun autoritaire rol. Ik herinner me nog de graffiti die op de muur bij de lift stond in die tijd (’72-’73): ‘There’s no haas like Koolhaas’ en ‘Wij zijn iedereen, we willen alles, en dat lijkt ons niets teveel gevraagd’. Je zal maar leraar geweest zijn in die tijd! En ja, ik herinner me de lessen van Willem de Vogel – of Bill the Bird zoals wij hem noemden – ook nog goed. Zijn aanpak vanuit de sociologie was een verademing tussen alle lessen camera- en laboratoriumtechniek, hyperfocale lensberekeningen e.d.

    • Jurriën Rood

      Hi Leo. Nou, niet altijd maar wel vaak. De experimenten horen tot de canon van de sociale psychologie. Alleen is ‘Milgram’ erg zorgvuldig, en leerzaam om na te lezen. En Zimbardo’s Stanford Prison Experiment is compleet gemankeerd, door hemzelf vervalst, waardeloos als experiment. Zie zijn eigen latere verslag in het boek The Lucifer Effect. Ik schreef over de vervalsing in mijn boek over gezag, er staat ook het nodige in Bregman’s De meeste mensen deugen. Onbegrijpelijk dat het SPE nog steeds zo’n grote naam heeft.
      En wat Koolhaas betreft, voel je het goed aan: zijn andere kant is het onderwerp van m’n volgende stuk. Alleen die graffiti… op de muur bij de lift, echt waar? No haas weet ik nog goed, omdat jij dat zo vaak zei. (En dat is ook geen kritiek, maar een geintje) Maar die andere? ‘We willen alles.. etc’ Echt, op die muur waar ik elke dag langskwam? Of was het weer snel weggehaald? Ik kan me er niets van herinneren!