Filmacademie 4: de Koolhaas-doctrine

geplaatst in: Film & TV, Filmacademie, Maatschappij | 0

(5 sept 2021)  Op mijn eerdere Filmacademieherinnering, over alcohol bij de Almelo-film, gaf klasgenoot, filmmaker en vriend Leo de Boer een belangrijke aanvulling, die op zijn beurt een compleet verhaal met zich meetrekt. Het geld voor onze historische documentaire over de historisch grootste bankroof kwam namelijk (deels?) van de Nederlandse Bank zelf. Ze wilde graag een document hebben om te herinneren aan het bijzondere pand en zijn geschiedenis, voordat het gesloopt werd. En vooral aan de bijzondere kluis in de kelder, met extreem dikke stalen deuren. Civil Courage was dus een soort opdrachtfilm, althans gedeeltelijk. Maar gemaakt door filmstudenten en dus spotgoedkoop in vergelijking met wat zo’n film zou kosten als hij door de professionals van die tijd gemaakt zou worden. (En dus eigenlijk ook een vorm van oneerlijke concurrentie.)

Ik wist dit niet, of ben het vergeten, maar het klopt goed met de koers die directeur Koolhaas had uitgezet voor ‘zijn’ Filmacademie in de jaren zeventig. Daarin speelden maatschappelijk betrokken documentaires een grote rol. Film kon ingezet worden als nuttig instrument voor de maatschappij. Met het voordeel dat ze dan meegefinancierd kon worden door de belanghebbende partijen. In dezelfde richting stuurde ook het toelatingsbeleid in de periode-Koolhaas: bij voorkeur wat oudere studenten die liefst al een andere studie hadden afgerond, maatschappelijke kennis hadden verzameld en ook over een zekere ‘geestelijke bagage’ beschikten. En inderdaad zaten er in mijn klas een flink aantal midden twintigers en zelfs een midden-dertiger, die echter ook weer pijlsnel verdween.

Vermoedelijk was deze koers een reactie op het verschijnsel dat de meeste filmacademiestudenten helemaal gek waren van speelfilm, met alle bijbehorende dromen en buitenlandse voorbeelden. Maar dan in een land waar de speelfilm zich nog maar net begon te ontwikkelen en speelfilms maken als beroep een hachelijk avontuur was, bij gebrek aan een filmcultuur en een laag gemiddeld bioscoopbezoek. De Academie als speelfilmschool, dat was opleiden voor werkloosheid en teleurstelling. Terwijl de Nederlandse documentaire al sinds decennia een grote, internationale reputatie had opgebouwd – ruim voor de ‘direct cinema’ van de Vpro-school van de 70’s die ons inspireerde. Ivens, Van der Horst, Van Haren Noman, Van Gasteren, Van der Keuken, Sluizer, Vrijman, en Bert Haanstra boven allen uittorenend, hadden laten zien hoe aantrekkelijk en ook vrij de (opdracht)documentaire opgevat kon worden.

Het was dus helemaal niet zo’n gekke richting waarin de directie haar studenten wilde meenemen. Alleen, het werkte nauwelijks. (Een paar jaar boven ons maakte Inger Kolff een veelgeprezen serie docs over bevalling; geboorte voor het eerst frontaal en langdurig gefilmd.) Want het overgrote deel van de studenten wilde zich toch bekwamen in de speelfilm. En juist de Filmacademie bood de mogelijkheid voor realisering en financiering van een ‘vrije’ (korte) speelfilm, zoals je die later eigenlijk nergens meer vindt.

Zelf paste ik helemaal niet in het profiel van de oudere, ervaren student. En al snel werd me duidelijk dat ook ik het vooral bij die (vrije) speelfilm zou gaan zoeken. Toch kwamen in de loop van de academietijd ook een paar documentaire Koolhaas-opdrachtplannen op mijn pad. Het is veelzeggend hoe ze ten onder gingen.

Eerst was er het filmproject naar aanleiding van een rapport over de behoefte aan nieuwe autowegen in Nederland.* Een dik boekje was dat, in onaantrekkelijke ambtenarentaal geschreven. Ik geloof dat het van begin tot einde vol stond met cijfers, statistieken en grafieken die wilden aantonen dat het Nederlandse wegennet hoognodig verdubbeld moest worden. Maar ik weet vooral nog hoeveel weerzin ik had om het rapport überhaupt open te slaan. Onderling vertelden de studenten elkaar dat het rapport een schandaal was en dat zo’n film ook een puur schandaal zou zijn, omdat er zo gemakkelijk over het verlies van natuurgebieden werd heengestapt. ‘Milieukosten zijn in de rekenmodellen niet expliciet opgenomen’, stond er op één van de pagina’s, volgezet met strepen (door mij? door René?) en kritische aantekeningen. Milieubewustheid, zo heette dat toen, was bij ons al volop aanwezig. Sinds de publicatie van het rapport van de Club van Rome (1972) was voor mijn generatie volkomen duidelijk dat er ‘grenzen aan de groei’ waren, die ook moesten worden gerespecteerd. En we voelden ons sowieso niet geroepen om een opdrachtfilm voor de grote (asfalt)industrie te maken.

Alleen… het is de vraag of dat wel echt de bedoeling was. Toen ik het gewraakte rapport later eindelijk een beetje las bleek het allerlei opties open te laten. Zoals het hoort in een ambtelijk rapport. Netjes de mogelijkheden opsommen, dan kunnen de politici er daarna lekker over gaan bakkeleien. En nu lijkt het me ook onwaarschijnlijk dat een uitgesproken natuurvriend als Koolhaas zich sterk zou willen maken voor de asfaltering van Nederland. Alleen werd dit allemaal niet uitgesproken, of zelfs maar besproken, althans niet met mij. Voor ons was het rapport verdacht en daarmee uit. Kort daarna maakte de oliecrisis van ’73 duidelijk dat alle grote groeiplannen direct in de prullenbak konden en dat was dat. Het rapport en het filmplan stierven een stille dood op mijn studentenkamer. Nooit meer wat van gehoord.

Dat verbaast me nog het meest, terugkijkend van grote afstand. Dat er zo weinig gesproken werd over de onderliggende motieven en ideeën achter zulke plannen. Of, algemener, over het beroepsperspectief van filmers in Nederland en de consequenties daarvan voor filmacademiestudenten. Beter: dat gebeurde helemaal niet, de Koolhaas-koers werd vrijwel niet onderbouwd. Eén keer is er in een les verteld over de Bijstand en de WW, maar die les miste ik natuurlijk. Het zal tegenwoordig anders gaan, denk ik, hoop ik. Want het is natuurlijk volstrekt zinnig om, na een jaar, en zeker na twee, de studenten naast al hun dromen ook te confronteren met de concrete beroepsmogelijkheden. En met het enorme belang van financiering, immers de doorslaggevende vraag bij elke film: waar komt het geld vandaan?

De volgende documentaire lag veel meer in de lijn van ons politieke bewustzijn. Een film over een ‘ontwikkelingshulp’-project in een plattelandsgemeente in Peru. Dit kwam binnen tijdens ons stagejaar en er was veel belangstelling voor, al was het maar vanwege de reis naar Zuid-Amerika. Ik was vereerd dat de directie het ook aan mij voorlegde, hoewel ik me eerder profileerde als speelfilmer. Maar ik werkte dat jaar in verschillende banen aan verschillende films bij Sluizer en wist al dat ik zijn nieuwe documentaire kon  gaan monteren. Dat ging voor, het was geen moeilijke keuze. Drie andere jongens (eh.. mannen) /regisseurs uit mijn klas vlogen naar Zuid-Amerika; Math, Martin en René. Maar een film is daar niet uitgekomen. Voor een weergave van hoe dat kwam leun ik zwaar op het verslagje dat Math van Duurlingh pas veertig jaar later schreef.

Zonder één les in documentaire, of één docentenadvies, vertrok het drietal naar Tarapoto, Peru, waar het Nederlandse ministerie van Ontwikkelingssamenwerking de boeren ‘een verbeterde tabakscultuur’ wilde leren. Ze ontdekten echter dat het ontwikkelingsgeld van het Copraholta-project door de bevolking niet werd uitgegeven aan betere hygiëne, huisvesting of watervoorziening, maar ‘uitsluitend aan macho-items’, zoals nieuwe brommers om op het dorpsplein indruk mee te maken. Dus schreven ze een kritisch script: zo’n puur technisch ontwikkelingsproject was alleen levensvatbaar als parallel eraan ook een sociaal project zou worden opgezet, dat de bevolking aansprak in hun waarden en gebruiken. Een technisch-financiële aanpak alléén is niet genoeg. Nu zou je zeggen: een profetische conclusie, en eigenlijk nog steeds toepasbaar, ook op een vergelijkbaar terrein als een vredesmissie. Zo oordeelde men niet anno 1975.

‘We hadden nog niet geleerd dat de opdrachtgever geld geeft om z’n gelijk bevestigd te zien’ schrijft Math, ‘en dus ontvingen we na indiening van het script alle drie tijdens de zomervakantie een ziedend telegram van Koolhaas, dat we van het project werden gehaald wegens onkunde en onbenul’. Het volgende studiejaar van de academie nam het project over en ditmaal ging er ook een docent mee om de studenten te leren hoe je een documentaire maakt. De film die hier uitkwam beoordeelden mijn drie klasgenoten als mak en saai, maar wel ‘strelend voor de opdrachtgever’. Belangrijker was dat zij in die zomer het vertrouwen in directeur Koolhaas definitief verloren – ‘en hij in ons – misschien wel in ons hele jaar.’

René van Gijn (l), Martin Franssen

Dat deze studenten wat ouder, en ook kritischer!, waren werd in de praktijk dus helemaal niet op prijs gesteld. Tot zover de Koolhaas-doctrine. Opvallend dat Martin en René er nadien tegen mij nauwelijks over hebben gesproken, hoewel we bevriend waren en zelfs samen op vakantie gingen. Ook onderling werd veel niet gezegd. We waren kinderen van onze tijd, waarin veel onbesproken bleef. Maar we wilden ook niet te lang bezig zijn met zaken die niet lukten of niet gelukt waren. We wilden films maken die afkwamen en waar we zelf tevreden over konden zijn. Zowel René als Martin maakte als eindexamenfilm een documentaire. Beide werden geprezen en naar festivals gestuurd. Het waren alleen geen (verkapte) opdrachtfilms. Het meest bijzonder was Martin Franssens korte, geestige en opruiende docu Jantje maakt amok; een frontale aanval op bestaande onderwijsinstituties en -opvattingen, ongeveer het tegendeel van een opdrachtfilm.

Over de groeiende scheuring tussen ons en directeur Koolhaas schrijf ik de volgende keer meer, vanuit mijn eigen perspectief.

 

In herinnering aan René van Gijn (1949-2012) en Martin Franssen (1951-2014), met dank aan Math van Duurling.
* Integrale verkeers- en vervoersstudie (1972) uitgevoerd door het Nederlands Economisch Instituut in opdracht van de Minister van Verkeer en Waterstaat