Filmacademie 3: in den beginne

geplaatst in: Film & TV, Filmacademie, Filosofie | 0

(19 aug 2021) Een van mijn vreemdste Filmacademieherinneringen is een vroege eerstejaarsles van Harry Kümel, die ons een bezoek in het vooruitzicht stelde aan Pim de la Parra.

Voor de goede orde: de la Parra, die ik vanaf nu bij zijn voornaam noem, was op dat moment een zeer bekende naam in filmend Nederland. Samen met zijn compagnon Wim Verstappen verenigd in Scorpio films, had hij al een hele rij speelfilms gemaakt, die op hun beurt de leerschool waren voor een paar lichtingen afgestudeerden van de Filmacademie. Pim en Wim, toen rond de dertig, hadden zelf ook een academieverleden, ze hoorden bij de eerste studenten. Met hun film Blue Movie (1971) over het vrijmoedige seksleven in de gloednieuwe Bijlmermeer, troffen ze de jackpot. De film werd een kaskraker en de Scorpio-mannen waren miljonairs.

Harry Kümel, op zijn beurt, was de coming young man van de Vlaamse cinema. Hij had het veelgeprezen Monsieur Hawarden gemaakt en de erotische vampierfilm Daughters of Darkness, die tegenwoordig cult is. Kümel speelde een belangrijke rol bij mijn toelating, toen hij me ondervroeg over mijn kennis van Hitchcock. Hij had de reputatie streng te zijn en dat klopt wel: een gedreven leraar die film volstrekt serieus nam en er niet op uit was om zich geliefd te maken.

Dit waren werkende speelfilmers, mannen van het moment. En we gingen ook niet zomaar op een bezoekje. De la Parra werkte aan een speelfilmscript en daar mochten wij, eerstejaars academiestudenten, een middagsessie bij aanwezig zijn. De verwachtingen waren kortom hooggespannen. De rest is een grote verbazing. We belandden in een hotelkamer van een keurig hotel aan de Jan Luykenstraat. Daar was Pim dus aan het schrijven, samen met de Schotse scenarist Charles Gormley. Maar het rare was: er werd daar helemaal niet geschreven. Ik geloof dat ik Gormley wel even gezien heb, maar verder? We verspreidden ons in die hotelkamer over de weinige zitplaatsen en het grote bed, ik zat bij het hoofdkussen met de rug tegen de muur, hopelijk wel m’n schoenen uitgedaan. We wachtten op de dingen die komen gingen. Het zal de eerste keer geweest zijn dat ik Pim de la Parra ontmoette; er zouden nog vele malen volgen in de jaren daarna. Pim was overal, zeer aanwezig, op filmpremières of borrels – heel anders dan zijn stille, teruggetrokken compagnon Wim. Pim was aardig, open, altijd druk pratend, hij maakte met allen kennis en bestelde meteen voor iedereen bij de roomservice.

Zo zat ik daar met een frisdrankje en ik denk wat pinda’s of chips bij dat hoofdkussen. Ik weet nog dat Harry Kümel ook over ons, of een paar van ons, een paar woorden zei ter introductie. Maar toen? Daarna? Ik kan me niet herinneren dat het één moment ging over een scenario. Of dat we met tekstvelletjes in de hand iets gelezen hebben. Nou goed, kopiëren was destijds nog een hele toer, dat deed je met de stencilmachine en die was daar niet. Maar ik herinner me niet dat er überhaupt iemand met een velletje papier bezig was, Pim niet en Gormley ook niet. Vaag staat me bij dat ze misschien een stukje scène hebben voorgespeeld? Er is vast iets besproken, want we zijn daar niet na vijf minuten weer afgedropen. Maar langzamerhand begon het bij mij toch te knagen: waar bleef de scenariobespreking nou, dan wel het ‘werken’ aan een bepaalde filmscène? Daar waren we toch voor gekomen. En waarom zou je daarvoor eigenlijk op een hotelkamer gaan zitten? Een tafel en wat stoelen leken mij een geschiktere omgeving. Dat Kümel ironisch iets opmerkte over mijn ‘intelligentie’ had er vast mee te maken dat ik daar met een toenemend kritische blik naar het hele gebeuren zat te kijken. Was dit soms filmpje spelen? Zijn we misschien weggestuurd toen het echte werk begon? Ook als de scenariosessie wel heeft plaatsgevonden (iets moet er toch hebben plaatsgevonden!) dan heeft het bij mij geen enkele indruk achtergelaten, helemaal nul.

Een absurde flard is het, een los eindje zonder enig vervolg. En ook helemaal niet typerend voor de precisie en concentratie die Kümel als docent kenmerkten. Hij werd een belangrijke en gewaardeerde invloed, dat schooljaar. Als examenopgave na één jaar legde hij een reproductie van de Nachtwacht op tafel en gaf al zijn opdrachten aan de hand van die ene plaat. Bijvoorbeeld (aan regisseurs): vat dit schilderij in één kader samen, een onderdeel, een détail. Of: welke personen, als je ze in close up uit het schilderij zou lichten, kijken elkaar aan? Waarbij je met beide handen een filmkader moest maken en zo je shots vormgeven. Voor cameramensen: waar staan de ‘lampen’ van de Nachtwacht (buiten beeld), waar laat Rembrandt het licht vandaan komen? Dit zijn meesterlijke opdrachten, voor regisseurs, editors, cameramensen. Het is droogfilmen, zonder camera. Het leert je om precies te kijken, om te kiezen en om de complete rijkdom van mogelijkheden voor je te zien. Kümel legde in zijn lessen de lat hoog; niet iedereen kon dat waarderen. Ik wel, ik wilde kijken of ik eroverheen zou komen.

Gormley zag ik jaren later terug, toen hij als acteur meewerkte aan de film Twee Vrouwen waar ik regieassistent was. Een aardige man en vrolijke zanger, maar bij navraag wist hij zich van de scène in de Jan Luykenstraat helemaal niets te herinneren.

De raarste herinneringen zijn waarschijnlijk van het begin, als alles nog gloednieuw en ongewoon is. Later werd het bekender en serieuzer. Nog zo’n losse flard: het eerste schoolfeest. Dat werd traditioneel mede-georganiseerd door het nieuwe eerste jaar en dus stonden we ’s middags te sjouwen met spullen en drank en geluidsapparatuur voor een bandje. Als ik me niet vergis heeft Goert (Giltay, de cameraman) die avond nog gespeeld, gitaar, hij kon alles. Maar bij de voorbereidingen liep een van onze klasgenoten rond met joints in de aanbieding. Hash was het, in die tijd populairder dan ‘wiet’. Ik had wel eens wat trekjes van een joint genomen en was prompt misselijk geworden, ik rookte sowieso niet. Maar hash kon je ook eten, in kleine porties, alleen ‘werkte het dan wat langzamer’. Dus dat deed ik, ik kreeg een klein stukje, als voorpret op het grote feest. Met het te voorspellen gevolg: ‘ik merk nog steeds niks’ – ‘dan moet je nog een beetje nemen’.

Dwars er doorheen speelde dat ik zou gaan samenwonen. Nee, heel anders dan je denkt. In de kantine had een van de meisjes uit mijn klas verteld dat ze een étage gevonden had, maar nog een medebewoner zocht. Ik was terug van weggeweest in het ouderlijk huis en wilde dolgraag op kamers. Ik had niets met haar – ik zal haar M noemen – kende haar nauwelijks, maar dit leek een goede mogelijkheid. Alleen wilde M’s moeder nog wel even kennismaken met die jongeman die zomaar bij haar dochter zou intrekken. Ik was het even vergeten, maar dat moest ook nog gebeuren op de middag voor het feest.

En dus belandde ik in een fleurige woning in de Rivierenbuurt, tegenover een aardige, maar ernstige mevrouw die van alles van me wilde weten. Ineens werd het erg warm in m’n hoofd en m’n uitzicht begon zomaar te draaien. Even wist ik niet wat me overkwam. Oh jezus, de hash! Hij werkte wel degelijk, en hoe. Maar dit was wel een heel slecht moment. Draaierig en misselijk werd ik en moest erg m’n best doen om niet zomaar van m’n stoel te vallen. Pure peentjes heb ik gezweten om me enigszins normaal voor te doen, voor mijn gevoel kon ik geen woord meer uitbrengen. Dat moet aan de buitenkant meegevallen zijn, want moeder M gaf me ten slotte haar zegen. Man, wat was ik blij om weer buiten te staan en op m’n fiets te stappen. (Het samenwonen werd geen succes. Met M op een nauwelijks ingerichte etage, matrassen op de vloer, voelde ik me als een kat in het verkeerde pakhuis. Na een paar dagen vertrok ik weer, zij vond iemand anders. Van de verdovende drugs ben ik sindsdien afgebleven.)

De golf van ongewenst stoned zijn hield ook niet erg lang aan, want van het herfstfeest zelf herinner ik me heldere beelden en gesprekjes met allerlei ouderejaars en nog onbekende docenten. Het mooiste was mijn kennismaking met Boud Smit, filmmaker en filosoof, en coach op de Filmacademie. Ik moet hem verteld hebben dat ik in filosofie geïnteresseerd was – (dat klopt; ik had een stukje Kant gelezen en was er ondersteboven van) maar dat het me wel iets heel anders leek dan film. Hij vond van niet. Ze sloten juist erg goed op elkaar aan, ze konden elkaar prima aanvullen, zo verzekerde hij mij, jongen van zeventien met gordijnhaar die nog stond bij te komen van z’n soft drugsroes. Ik heb het onthouden. Boud, van wie ik zelf nooit les gehad heb, rolde daar een loper voor me uit die ik pas veel later heb betreden. Hij bleek gelijk te hebben.

———–