Filmacademie 6: de directeur en ik

geplaatst in: Film & TV, Filmacademie, Literatuur | 1
Anton Koolhaas

(4 okt 2021)  Als een onverwachte rode draad door deze herinneringen aan mijn Filmacademietijd – het afstuderen is intussen vijfenveertig jaar geleden! – komt mijn matige, verslechterende relatie met directeur Anton Koolhaas naar voren. Dat moet ik toch een tikje rechtzetten, want zo was het niet steeds. Aanvankelijk zag Koolhaas juist wel wat in me, het zal door mijn opstandigheid en uitgesprokenheid verloren zijn gegaan. Besproken hebben we het nooit.

En omgekeerd? Ik vond Koolhaas een bijzondere man. Een volstrekte kunstenaar. Hij was destijds bekend als auteur van volwassen boeken over dieren, maar juist in die tijd overgestapt op het schrijven van ‘gewonere’ romans met menselijke drama’s, waarin dieren nog steeds een grote rol speelden. Vanwege een tere huid, over een noodlottig kanotochtje van twee verliefde jonge mensen, was prachtig. De geluiden van de eerste dag, over boeren en een zevenslaper, was nog sterker. Ik heb ze pas later gelezen, want als studenten hadden we niet zozeer met de romanschrijver Koolhaas (vader van de nog veel beroemdere architect Rem) te maken, als wel met de Filmacademiedirecteur en docent scenario. We wilden van hem graag zoveel mogelijk over scenarioschrijven leren, en dat viel niet mee. Dit was in een tijd dat er nog niet tientallen boeken over scriptwriting bestonden en nog geen reizende scriptcoaches uit Hollywood naar Nederland overkwamen. Het moest allemaal van de grond af aan in lessen opgebouwd worden.

Ik kan me zijn eerste scenario-opdrachten herinneren, nuttige oefeningen, maar daarmee hield het zo’n beetje op. Koolhaas had er duidelijk niet zo’n boodschap aan om iedere student apart te behandelen of erg diep op de stof in te gaan. Sommige dingen vond hij ‘goed’, misschien wel ‘erg goed’, en daar bleef het bij. Later vond hij precies zo mijn eerste scenario ‘goed, aardig’ en het daaropvolgende ‘helemaal niks’, zonder enige nadere aanwijzing of uitleg. Zo stond hij ook voor de klas, met een soort zichtbare onwil en soms ook minachting voor de generatie die daar voor hem zat en zo ontzettend weinig bagage had (volgens hem). ‘Toen ik zo oud was als jullie stond ik op straat in London zingend m’n geld te verdienen’, zei Koolhaas, die toen rond de zestig zal zijn geweest. Het maakte grote indruk op me. Ik vond het een prachtig beeld en een ideaal om naar te streven (later heb ik ook wel op straat sax gespeeld, niet in London) – en tegelijk een mededeling waar wij niets aan hadden. Ook kon hij van de bespreking van een ingeleverde scène die hem niet beviel spontaan overstappen op het boek dat hijzelf aan het schrijven was en dat de titel droeg: ‘Het trottoir zal het je brengen’. Kijk, met zo’n titel kon je aankomen, dat was nog wat anders dan een flutscenarioscène. (De echte titel luidde Tot waar zal ik je brengen?, ook niet slecht; ik was te zeer onder de indruk van het beeld van de zingende jongeman op de stoep in London om het goed te verstaan.)

Gaandeweg verdachten we onze docent er van weinig naar de film te gaan en al helemaal niet naar nieuwe, maar meer bezig te zijn met zijn boeken. Koolhaas schreef die romans altijd in de kerstvakantie, als hij vrij had. Boze tongen fluisterden dat hij er ook nog wel aan werkte achter zijn Filmacademiebureau, een gerucht waarmee je hem werkelijk woedend kon maken. Zoals al beschreven was hij een ouderwets autoritaire man die er niet van hield om tegengesproken te worden (wat ik soms deed), maar heel zichtbaar was hij ook een zeer gevoelige figuur die het liefst fulltime kunstenaar was geweest en al zijn managing-taken maar lastig vond, om over de studenten nog maar te zwijgen. Met de gevoelige man, altijd met vlinderdasje, maakte ik kennis bij mijn toelatingsexamen.

Ik was net zeventien toen en zat midden in mijn gymnasiumeindexamen. Ik was ook nogal verlegen en moest mezelf overwinnen om überhaupt het Filmacademiegebouw binnen te lopen en me aan te melden. Film leek mij een venster op de wereld, de academie beloofde een interessante brede opzet met filosofie, sociologie. Ik maakte 8 mm-filmpjes en wilde weg uit de benauwde verstikkende sfeer van het ouderlijk huis, de wereld omhelzen. Film leek me de toegangspoort: documentaires dan, met mezelf misschien als cameraman, duidelijker was mijn toekomstplan niet. Er was alleen een grote hindernis: ik kende vrijwel geen speelfilms. Iedereen wist dat de Filmacademie jaarlijks slechts dertig van de 1000 kandidaten toeliet – en het leek overduidelijk dat je daarvoor veel speelfilms gezien moest hebben.

Dat was voor mij een groot probleem. Want films zag je in de bioscoop. Ik was erg klein van stuk en had al op de kleuterschool een jong gezicht, ik zag er altijd jaren jonger uit dan ik wàs. Voor speelfilms golden in die tijd leeftijdsgrenzen van 14 en 18 jaar. Elke film die de moeite waard was, was voor ’18 jaar en ouder’. Mijn vrienden gingen naar Mash, Easy Rider, Carnal Knowledge, of naar Hiroshima mon amour in de nachtvoorstelling. Ik ging dan niet mee. Want ik kwam er niet in. De leeftijdsgrenzen werden namelijk gehandhaafd, bijvoorbeeld door de portier naast de kassa van Tuschinski (Clockwork Orange) of de kaartjesverkoper van het Leidsepleintheater. Ze schudden al met hun hoofd als ze me in de verte zagen aankomen: als ik geen paspoort kon laten zien kwam ik er niet in. Maar m’n paspoort zou me ook niet verder helpen, want ik was nog lang geen 18. En slechts met de nodige moeite lukte het me als 15-jarige om op deze officiële manier toegang te krijgen tot Butch Cassidy and the Sundance Kid, voor boven de 14 (dus eigenlijk een kinderachtige film). Ik vond dit spitsroedenlopen in de rij voor de kassa vernederend, ik schaamde me dood voor mijn veel te jonge uiterlijk. En dus kende ik nauwelijks speelfilms; want op tv kwamen ze niet (tv maakte destijds haar eigen drama in de studio) en video lag nog tien jaar in de toekomst. Voor speelfilm was je op de bioscoop aangewezen.

Maar nu kon ik het er niet meer bij laten zitten. Een oudere vriend/klasgenoot die samen met Orlow Seunke (juist toegelaten op de Filmacademie) veel in de bioscoop had gezeten, dicteerde me een lijstje topfilms die ik ‘zeker gezien moest hebben’. Het stond vol grote namen van de cinema van eind jaren zestig: Pasolini, Bergman, Chabrol, Truffaut, Polanski. En ik ging aan de slag om de vervloekte leeftijdsgrens te overwinnen. Ik speurde in kranten naar obscure filmclub- en schoolvertoningen, daar werd niet gecontroleerd. En ik ging bioscoopje veroveren. Zenuwachtig stond ik in de rij bij verschillende Amsterdamse bioscopen, oefende een nonchalante houding en een rustig, diep stemgeluid. Ik had geluk – Cinetol, de Movies, Kriterion, er waren coulante bioscopen waar ze niet maalden om de 18 jaar. En ik vond een paar filmfestivals, precies in die periode, waar ik ook naar binnen kwam. Nog steeds werd ik ook wel eens geweigerd maar dat mocht de pret niet meer drukken, ik zat elke avond in de film. Alle Pasolini’s, veel Bergman, 2001 zo goed als La voie lactée. Mijn grootste verrassing was dat het bij deze speelfilms niet om vaag gedoe ging van kunstzinnige types die stoned in de verte staarden en dan iets onbegrijpelijks zeiden, zoals ik enigszins verwachtte – ik voelde me er volstrekt bij thuis. Ik schreef over elke film een stukje en probeerde zijn betekenis te doorgronden. Speelfilm bleek meer dan de simpele Amerikaanse schietfilm – het was een raam op veel verschillende werelden, van eigenwijs tot volstrekt mysterieus. Ik was verkocht.

Toen ik tenslotte toelatingsexamen deed – nerveus, klein en jong in een erg volwassen omgeving – had ik een heel arsenaal aan speelfilms gezien. En ik werd toegelaten omdat ik vragen van Harry Kümel over de Hitchcockfilm Spellbound, met de skisporen in de sneeuw, eenvoudig kon beantwoorden. Maar het hoogtepunt van de dag was de vraag die directeur Anton Koolhaas me stelde, als voorzitter van de toelatingscommissie. Hij wilde weten of ik, als ik naar de film ging, ‘ook wel eens in de bioscoopladder keek en dan doelgericht iets uitzocht’. Wel eens! Alsof ik zomaar naar de film kon gaan, zomaar een willekeurige bioscoop in kon lopen! Wat een schitterend moment, hij had me aangezien voor een volwassene. Maar ik ben niet in lachen uitgebarsten, of in huilen, ik heb geloof ik vrij cool gezegd dat ik inderdaad ‘regelmatig’ die lijst raadpleegde. He made my day, met die vraag.

Toen ik vertrok bij een volgende, technische commissie, kwam de grote Koolhaas de gang opgeschoten en vroeg me zachtjes en betrokken: Hoe ging het daar? Dat was opnieuw erg bemoedigend en ik geloof dat ik dezelfde avond al bericht kreeg (van Orlow) dat ik was toegelaten. Het is die kant van de directeur die ik me graag blijf herinneren.

Moi, 4 jaar later, eindexamen Filmacademie

  1. Jef Nassenstein

    dag Juriaan
    Je stukjes zijn voor mij een soort tijdmachine. Ze roepen veel en soms ogenschijnlijk scherpe herinneringen op.
    Dat doet mijn inmiddels wat stoffige hoofd goed. Dank.
    hartelijke groet Jef