Rampen van de eerste film

geplaatst in: Film & TV | 0
Om de Tafel: Bert Stegeman, Roelant Radier

(8 juli 2021)  Het was niet echt mijn eerste, maar wel m’n eerste echte speelfilm. ‘Om de Tafel’, gemaakt als tweedejaarsfilm op de Filmacademie, gedraaid in zwart-wit en een half uur lang. Best lang eigenlijk, voor zo’n oefenfilm. Maar dat lag ook aan de voorkeur van speelfilmdocent George Sluizer. Uit de ingeleverde scenario’s koos hij er twee voor realisering, waaronder het mijne. Verhaaltje over een politiek actieve student die zich wil inzetten voor positieverbetering van de ‘werkende jongeren’, zoals die groep toen genoemd werd. En dan verliefd wordt op één van hen, de verkoopster in de lampenwinkel. Tussen theorie en praktijk blijkt een verschil te bestaan. Over ideaal en teleurstelling, zou ik nu zeggen, maar toen dacht ik nog niet zo erg in thema’s; ik was veel te blij dat ik een redelijk filmverhaal had voortgebracht, met een ontwikkeling, met scènes en met dialogen.

Ik had tien draaidagen voor de hele film en we moesten zo’n drie minuten screentime per dag draaien – in die tijd ook bij lange speelfilms gebruikelijk. Films werden shot voor shot gedraaid, met één camera en alle problemen van de continuïteit die daar bij hoorden. Samen met klasgenoten Goert (Giltay, de cameraman) en Vivian (Pieters, scenarist/regisseur/producent) had ik een nauwkeurig draaiboek geschreven, met een beschrijving van de gewenste shots en een schets van alle camerahoeken. Alleen een storyboard, met tekeningen van de shots zelf, maakten we nog niet. De acteurs waren uitgekozen, locaties waren gevonden, ik was alleszins voorbereid. We hadden zelfs een heuse lezing van het script gehouden, al had ik daar niks over geleerd, evenmin als over acteursregie. ‘Wanneer is de eerste lezing?’, vroeg een van de acteurs en bracht me zo op een idee dat in de theaterpraktijk volstrekt normaal was. Ik was er klaar voor.

Maar meteen al de eerste dagen ging het mis en behoorlijk ook. Een paar dagen lang werd de productie geplaagd door tegenslagen. Niet op mijn gebied: de shots werden gedraaid, de acteurs speelden, de dialogen klonken – maar vlak om ons heen. Dit is wat ik me herinner.

De allereerste dag draaiden we in de lampenwinkel. Lampada aan de Van Woustraat was helemaal volgepakt met alle mogelijke modellen, modern en oud, staand, hangend en nog anders. Daar moest dan ook nog filmlicht bijgehangen en tussen gezet worden en een complete filmcrew doorheen manoeuvreren. Aan het eind van de dag, of was het de volgende, begreep ik dat er nogal wat lampen kapot waren gegaan. Door ladders, door onhandig opgehangen stangen en door onvoorzichtigheid. Honderden guldens schade scheen het te zijn. Vlak daarna liet de cameraploeg bij het uitladen de Elemac-dolly – een flexibel karretje waarop de camera gemonteerd wordt en waarmee je mooie rijders kan maken – op de grond vallen. Op zo’n manier dat de olie eruit liep, waardoor het ding onbruikbaar was (nog afgezien van de overige schade).

Dit feestje werd voortgezet op de eerste draaidag in de studio, van de Filmacademie zelf. Er was een huiskamerdecor neergezet, voor het eerste bezoek van student Jaap bij de vader van zijn geliefde, ik weet haar naam niet meer. Mijn ambitieuze cameraman Kees (van Oostrum, later grote cameraman/regisseur in Hollywood) had een chique Moy-head weten te lenen voor deze film; een zeer professionele onderbouw voor de camera, die je met behulp van twee wieltjes kunt laten draaien en tilten/duiken. Zo’n ding dat ze voor Hollywoodproducties gebruiken, schitterend en zwaar. Alleen zette de camera-assistent het simpele statief dat de hele zaak moest dragen verkeerd neer: de Moyhead viel op de grond met camera en al, van de Arri 16mm camera brak spontaan het magazijn af (waar de film in zit). Dit gebeurde waar ik bij stond. De assistent was compleet in tranen en werd later vervangen.

Deze ‘productieproblemen’ zoals we dat noemden waren aanvankelijk voor mij weggehouden, zodat ik me als schrijver/regisseur op de hoofdzaak kon concentreren. Maar nu viel het echt niet meer te ontkennen. Het werd ook doorgegeven aan de leiding van de Academie en daar hoog opgenomen. Ik geloof dat eerst mijn coach Sluizer ter verantwoording geroepen werd, en daarna wij met z’n tweeën. De leiding, directeur Anton Koolhaas en enkele anderen, wilde krachtig ingrijpen en de film gewoon stopzetten. Maar daar had George geen boodschap aan; hij had films gemaakt in de Braziliaanse jungle, hij liet zich niet zomaar stoppen. Ik dacht er net zo over. Het directe gevolg was dat een volgende draaidag, in een Amsterdamse snackbar, slechts kon worden toegestaan op voorwaarde van uitsluitend vaste shots (van statief, geen beweging) en alles binnen één dag. Het draaiboek telde zo’n 30 instellingen, nogal veel; ‘volstrekt onmogelijk’ meende de cameradocent, die meer alcohol dan optimisme meebracht. Dat konden we niet op ons laten zitten. Naar voorbeeld van George liet de filmploeg zien uit welk onverstoorbaar en hardnekkig hout je gesneden moet zijn, we gingen gewoon draaien. Ik had het draaiboek ook niet versimpeld: we maakten alle dertig instellingen op die dag en avond, en dat zijn goede, leuke scènes geworden. Tijdens de draaidag kreeg ik nog een spontane bloedneus; propje erin, koude sleutel in de nek en dóór. De film moest gemaakt, en zoals we van plan waren.

Vlnr: Harry Mertens, Frank Phoelich, Rene Glaser, Dini Damave, Oncko Grader, Bert Stegeman

In een jongerencentrum draaiden we een paar dagen lang de vergaderingen van het actiecomité waar Jaap deel van uitmaakte en waar de titel van de film naar verwijst. Een clubje dat verstrikt raakt in theoretische besprekingen van ‘structuren’ en ‘modellen’, met veel academiestudenten als acteurs. Maar hoe moest dat nu visueel, zonder de geplande rijers? Voor een ander, lang fietsshot met dialoog had cameraman Joop (Van der Vegt, opgehouden met film) een complete kar gebouwd. Een groot ding met flinke wielen voor gebruik op de Amsterdamse straten. We haalden hem naar binnen en George puzzelde hoe hij dit bakbeest om die vergadertafel heen kon manoeuvreren: ‘ik ben ook dollypusher geweest’ zei hij nonchalant. En maakte het waar. Vanaf dat moment filmden we alsof er niks aan de hand was, of was geweest.

Voor alle schade was de Filmacademie verzekerd – denk ik, hoop ik. Ik weet eerlijk gezegd niet hoe dat is afgelopen en veel credit voor de geruisloze afwikkeling gaat naar producente Hetty (Krapels, na decennia produceren gestopt). Het was allemaal verdwenen toen de film eenmaal klaar was. En Om de Tafel, ofwel Round the table, werd een leuke film. Het jaar erna werd hij uitgekozen als Nederlandse selectie voor het korte filmfestival van Oberhausen, een grote eer, en nog op enkele andere festivals gedraaid. Film, dat is vaak tegen de klippen op doorgaan, balen, doorzetten, problemen oplossen en blijven geloven, om na afloop alles spontaan te vergeten – zo was het in elk geval in die lente, ruim vijfenveertig jaar geleden.

stills: Leo de Boer