Keith aan het stuur

geplaatst in: Cultuur, Kunst, Muziek | 0

(19 jan 2012) De tijden zijn al dramatisch genoeg, met pandemie en gewelddadig populisme. Kunst kan misschien enige uitkomst brengen, of althans troost. Ja, als de kunst zelf niet aangeslagen raakt. Budapest Concert heet de nieuwste CD van Keith Jarrett, volgens hemzelf een zeer geslaagde opname. Maar bij de uitbreng vertelde de pianist nog iets: door een beroerte is hij halfzijdig verlamd geraakt en kan zijn linkerhand vrijwel niet meer gebruiken. Laat staan om piano te spelen. Laat staan om nog eens een geïmproviseerd soloconcert te geven, zoals hij tientallen jaren gedaan heeft. Hij is eigenlijk geen pianist meer, zei hij.

Daarom wordt dit een saluut aan een van mijn grote jazzhelden. Hoewel hij nog volop leeft, ik hem allereerst een goede gezondheid toewens en zelfs, in een klein hoekje van de geest, misschien nog hoop dat hij dit euvel te boven zou kunnen komen. Maar dat is egoïstische nostalgie. Jarrett hoeft allang niets meer te boven te komen en helemaal niets meer te bewijzen. En eigenlijk is dat al zo sinds de jaren tachtig, toen hij het grootste deel van het door mij zo geliefde werk gemaakt had.

Keith Jarrett (geb. 1945) was in de jaren zeventig frontman en componist van twee gelijktijdige jazzkwartetten. Het ene in Amerika, met doorgewinterde jazz-ers Dewey Redman (sax), Charley Haden (bas) en Paul Motian (dr). Het andere in Europa, met een Noors trio aangevoerd door de geweldige Jan Garbarek op saxen. Dit is zeer melodieuze jazz, vaak enorm ritmisch en swingend, soms uitgetrokken tot lange suites vol improvisatie die via wilde bochten altijd weer op z’n pootjes terechtkomt. ‘Keith neemt het stuur in handen, nu weet je dat het goed komt’; zoiets schreef een criticus over The Survivors’ Suite – en niet alleen klopte dat precies, ik dacht ook: zó kan je over deze muziek schrijven, zo moet het eigenlijk. Niet beschrijvend, in zogenaamd objectieve termen, maar als een belevenis die je meemaakt, waar je zelf in de boot zit, heen en weer slingert, gedesoriënteerd raakt en weer overeind komt, meegenomen op de invallen van Jarrett’s kwartetten. Dat doet pas echt recht aan deze jazz die door zoveel golven en stemmingen gaat. En ook op die manier schreef ik zelf een korte speelfilm op de tonen van het Jarrett-stuk Oasis, als een vrij meebewegende impressie. (Daarbij telkens het tape’je een stukje terugspoelend, meeluisteren en weer stoppen. Script nooit gerealiseerd). Fantastische open melodie-jazz is dit, die holt en stilstaat, bochten omslaat en kelders induikt – maar het was nog lang niet het einde van de bezigheden van de grote Keith. Zijn experimenten met sacrale muziek zo goed als al zijn klassieke opnames sla ik voor het gemak even over, omdat ik ze niet goed genoeg ken.

Het meest bekend èn beroemd werd hij in hetzelfde decennium dankzij zijn soloconcerten. Let wel: compleet geïmproviseerde stukken muziek. Onvoorbereid. Volgens hemzelf: zonder enig idee vooraf in zijn hoofd. Ergens ter wereld in een zaal aan de piano gaan zitten… en de zaak laten komen. Het wonder is misschien niet eens dat er dan daadwerkelijk iets komt – deze man speelde al op z’n vierde klassieke concerten – maar dat het daadwerkelijk een heel verhaal wordt, met een indeling, een verloop, een soort spanningsboog, vaak met een repetitief patroontje dat als in trance herhaald wordt tot het z’n organische einde vindt. En altijd innig en intens. The Köln Concert, in de witte hoes, is de bekendste en meest verkochte – notabene gespeeld op een piano die niet voldeed en alleen in het middenregister goed genoeg klonk voor de pianist. (Er was niet snel genoeg een vervanging). Het is niet eens de ‘beste’ van de soloconcerten, al is het de vraag of je deze unieke performances überhaupt met elkaar kunt vergelijken. Om een paar andere aanraders te noemen: Bremen, Vienna, La Scala. Maar de top hier vormen voor mij de Sun Bear Concerts, een serie opgenomen tijdens een solotour door Japan in 1976. Jarrett gaat zitten en speelt… complete werelden bij elkaar. Van in en in triest tot opgewonden, hypnotisch, melancholiek of puur swingend – als Keith het stuur in handen neemt komt alles goed.

Als oefening deed ik dit: een plaatkant van Sun Bear opzetten (ik had nog geen CD), naar de typemachine rennen (jaren ’80) en er spontaan een verhaaltje uitrammen, geïnspireerd op en meebewegend met de tonen van Jarretts improvisatie. Ik weet niet meer of ik alle 20 kanten (5 concerten, elk twee elpee’s) gehad heb, de meeste wel. Maar belangrijker dan wat ik er mee deed was mijn overtuiging dat hier een kunstenaar op de top van het muzikale kunnen was aangekomen. Zonder enige voorbereiding gaan spelen en dan zulke muzikale reizen uit je mouw schudden – zonder thema, zonder dikke synopsis met verantwoording vooraf vol gewichtige woorden zoals bij film gebruikelijk, helemaal voorbij aan alle verstand, voorbereiding en concepten. Ongeveer zoals Jackson Pollock drip-schilderde. Of de ecriture automatique waar de Dada-kunstenaars zich van bedienden. Puur spontaan componeren én spelen. Ja, en dan wel tevoorschijn komen met iets dat in één keer staat en klinkt als een klok. Iets dat je veertig jaar na dato nog steeds kunt beluisteren als was het een concert waar een paar weken aan geschreven en geoefend is. Het leek mij de top van kunst, en dat lijkt het me eigenlijk nog steeds.

Ik zag en hoorde Jarrett ook een paar keer live. Met het Amerikaanse kwartet en met het latere, zeer succesvolle Standardstrio. Dat waren goede, geen verpletterende concerten. Net als zijn soloconcert in het Amsterdamse Concertgebouw, begin jaren tachtig; best goed, maar… Zo weet je meteen: de grote inspiratie kan op zo’n avond ook uitblijven. Wat me vooral bijbleef waren de randverschijnselen: het begeleidende kreunen van Keith, waar sommige recensenten zich nog steeds over kunnen opwinden. Zijn slangemensachtige gewoonte om al spelend op te staan en zichzelf óver of half onder de piano te duwen. En natuurlijk zijn beruchte allergie voor fotografen. Midden in de toegift kijkt hij op: ‘is that a camera?’, stopt en loopt boos van het podium. Nog bedankt, fotograaf !

Ik heb Jarrett’s laatste opgezet: een opname uit 2016. Sinds hij eind vorige eeuw een flinke burn-out kreeg speelt hij zijn soloconcerten niet meer als lange plaatkanten, maar heeft de improvisaties teruggebracht in een reeks compactere stukken. Mijn voorkeur blijft bij de wildheid en romantiek van de lange suites, de doorgaande zoektochten waarbij hij telkens weer het stuur vindt. Maar eigenlijk gebeurt hetzelfde ook in de nieuwe opzet. Een blues erbij, een standard als toegift. Wat een rijkdom.

Een grote kunstenaar transformeert de wereld waar je bij zit. Laat hem rustig een beetje kreunen, hij schept tenslotte vanuit het niets, zoals Miles Davis ooit verbaasd opmerkte. Laten we hem nog eens alle gezondheid toewensen. En hem vooral bedanken, voor het vinden en openzetten van al die deuren naar onvermoede ruimtes vol gevoel en opwinding. Vol schoonheid, en dus ook troost.

Een kleine Keith Jarrett-selectie:
American Quartet: The Survivors’ Suite
European Quartet live 1974
Oasis door een Braziliaans kwartet
Jarrett SOLO Tokyo 1984, toegift
Standards Trio: God bless the child