(5 mei 2025) Beloofd is beloofd, ik zou erop terugkomen. Een tijdje terug signaleerde ik de ‘ontdekking’ van een onbekende eerste film van Pim de la Parra uit 1963, met dezelfde titel als het nieuwe, dure epos van Francis Ford Coppola. Ik dacht zelfs dat de oude film misschien verloren was gegaan, omdat hij nergens genoemd werd in filmografieën van de kort daarvoor overleden Nederlandse cineast. Maar de vermissing was een misverstand, te wijten aan een tijdelijke storing van het computersysteem van Eye, het filmmuseum. Want daar wordt Pims allereerste film wel degelijk bewaard in de collectie, en is ook beschikbaar voor geïnteresseerden. Waarom hij in de filmoverzichten ontbreekt blijft een open vraag. Maar interessanter is de vraag wat het nou voor film is. En of en hoe hij afsteekt tegen zijn Amerikaanse naamgenoot, die vorig jaar onder veel belangstelling in première ging.
Ik zal voor een keer mijn oude beroep van filmcriticus opnemen en een dubbelrecensie schrijven van twee films die niets met elkaar te maken hebben, behalve hun titel. Of misschien toch dit: Coppola en De la Parra zijn generatiegenoten met vrijwel hetzelfde geboortejaar (1939/1940), ze waren filmstudenten van begin jaren zestig en belandden allebei in de voorhoede van een groep jonge filmmakers die voor een doorbraak zou zorgen in de stijl van filmmaken, de een in Hollywood de ander in Nederland. Daar houden de overeenkomsten op. Coppola maakte een paar van de beroemdste films die er zijn (The Godfather, Apocalypse Now) en nog een hele rij andere, won twee keer in Cannes de Gouden Palm en werd ook nog eens zo rijk met investeringen dat hij de honderdtwintig miljoen dollar voor zijn laatste film zelf op tafel kon leggen. De la Parra’s oeuvre is bescheidener, zijn beste film Wan Pipel (1976) bezegelde het faillissement van zijn firma Scorpio Films, waarna hij een tweede oeuvre opbouwde met minimal movies die vrijwel niets kostten en nauwelijks de bioscoop haalden, maar wel een jongere generatie de kans boden om met de praktijk van (speel)film vertrouwd te raken. Deze zeer verschillende filmers hebben zich dus allebei bezig gehouden met het thema van de verpletterend grote stad, of misschien scherper: met de impact van de moderne tijd. Voor De la Parra was dat zijn eerste, voor Coppola zijn laatste film.
Om met die laatste te beginnen: trouw aan zijn titel is het een epos van tweeëneenhalf uur in soms gloeiende beelden en met een rijke aankleding. In een New York-achtige stad vindt een strijd plaats tussen een visionaire architect/stadsplanner met vooruitstrevende ecologische ideeën en de burgemeester die daar niets van moet hebben. Als dramatische complicatie krijgt de architect een verhouding met de burgemeestersdochter, waarmee een stukje Shakespeare (Romeo en Julia) binnengehaald wordt. Lastig is dat de film opzettelijk als ‘tijdloos’ is opgezet: het plot is geïnspireerd op een episode uit de antiek-Romeinse geschiedenis, de zogenaamde ‘Catalinische samenzwering’ waartegen schrijver-orator Cicero zich fel teweer stelde. Vandaar dat de hoofdpersonen klassieke namen dragen en rondlopen in fraaie semi-antieke gewaden, terwijl het geheel toch duidelijk speelt in een moderne stad vol wolkenkrabbers, die ook regelmatig trekjes heeft van het New York uit de roaring twenties, compleet met lange jassen en gleufhoeden. Dit is natuurlijk expres en met volle overtuiging gedaan, zodat het resultaat ‘van alle tijden’ zou zijn, maar het effect is eerder dat het getoonde tussen alle tijden in blijft hangen en nergens echt wil aarden. Het helpt niet dat er nauwelijks sprake is van een voortgaand verhaal – en dat van een van de grote filmische verhalenvertellers bij uitstek! Het helpt ook niet dat hoofdpersoon Cesar Catalina is uitgerust met het bijzondere vermogen om de tijd stil te zetten, wat op zichzelf genoeg zou zijn voor een hele film, maar hier slechts een onuitgewerkte vondst blijft. Maar het ergst is dat we naar een hoofdpersoon kijken – de vaak uitstekende acteur Adam Driver – die als een zombie door zijn eigen film loopt, verdwaald, vaal, passief. Ik vermoed dat Driver, vergeefs zoekend naar richting, zich op de vlakte is gaan houden, maar het kan natuurlijk ook opzet geweest zijn. Het zal duidelijk zijn dat ik deze film niet ga aanraden, tenzij als curiosum.
Zestig jaar eerder gemaakt is Megalopolis I aanvankelijk ook een raar potje, aan het andere uiteinde van het filmische spectrum. Een uurlange documentaire gemaakt door filmacademiestudenten, gedraaid in zwart-wit met een 16mm. camera die weinig stilstaat, gehanteerd door de later wereldberoemde cameraman Robby Müller. Een jonge Surinamer, Rudi Kross, loopt door Amsterdam op de dag van de verkiezingen en kijkt met afstand naar dit land en de mensen erin. Er is helemaal geen synchroon geluid: de film is in essentie een beeldmontage aangevuld met uiteenlopende audioflarden, van notities van Kross via nieuwsberichten tot aan stukken toespraak van Fidel Castro. Het resultaat is een impressionistische collage, behoorlijk ordeloos, technisch matig en soms nauwelijks verstaanbaar (in de kopie die ik bekeek), en bij momenten ineens onderbroken door stukken zwartfilm, maar toch… wie volhoudt ontdekt gaandeweg een zekere eenheid onder de chaos. Kross’ teksten (of zijn ze van De la Parra?) zijn af en toe raak en poëtisch: ‘Mijn naam doet er niet toe. Ik ben een gebruiksvoorwerp..’ en ‘Ik ben burger in je koninkrijk’. Hier loopt een donkere jongeman als een buitenstaander door de witte wereld, waar hij tegelijk toch ook vrienden en mogelijk een vriendinnetje heeft.
Dit thema van vervreemding langs postkoloniale lijnen wordt in het ‘tweede deel’ ineens erg concreet. Dan is de hoofdpersoon aanwezig bij een grote demonstratie van Surinamers voor de onafhankelijkheid van hun land: aangereisd vanuit heel Nederland lopen ze in een lange rij door de Vijzelstraat. En vervolgens reist een bus vol mannen van kleur naar Den Haag, vermoedelijk naar de Surinaamse zaakgelastigde, waar Hollandse politieagenten de groep tegenhouden en men op de stoep tegenover de ambassade plaatsneemt. Juist door het ontbreken van sync-geluid, interviews en elke uitleg worden de beelden van de groep zittend protesterende mannen veelzeggend. Het sterkste shot komt uit de demonstratie: pal voor de stoet uit rijdt de bereden politie en hun paarden beleggen de straat met kilo’s paardenvijgen. De demonstranten moeten er dan maar omheen, of doorheen lopen. Hoe meer ik erover denk, hoe sterker ik dat beeld vind. Ik hoop dat filmers van nu die zich bezighouden met moderne perspectieven op de Nederlandse (koloniale) geschiedenis dit materiaal weten te vinden.
De opzet om een fictieve hoofdpersoon door een ware gebeurtenis te laten lopen werd een paar jaar daarna door Pim’s compagnon Wim Verstappen gebruikt als basis voor De minder gelukkige terugkeer van Jozef Katusz naar het land van Rembrandt (1966), waar de hoofdpersonen zich dwars door de provorellen rond het huwelijk van Beatrix bewegen. Die film trok in Cannes internationale aandacht, kreeg waardering van de Nouvelle Vague filmers en werd het begin van de tien productieve jaren van Scorpio Films. Pim en Wim wilden films op Amerikaanse leest maken, produceerden een sliert erg Nederlandse films met veel seks, en pas met Wan Pipel (1976), zijn beste en duurste film, keerde Pim terug naar het thema van de Surinaamse identiteit.
Ik schrijf zo familiaal ‘Pim’ omdat ik hem redelijk goed kende en zelfs ooit zijn assistent ben geweest. Ik vond hem niet een heel goede filmmaker – anders dan Coppola – maar wel een leuke en inspirerende; zijn werk kwam me vaak rommelig voor, maar met sterke momenten. Deze debuutfilm is een goed voorbeeld van beide kanten. Ergens heb je het idee dat de film gebaat zou zijn met een hermontage annex inkorting tot zo’n veertig minuten, maar dat moet je natuurlijk niet doen. In een retrospectief zou ik hem zeker opnemen en al helemaal in de filmografie. Vandaar dat de hierbij door mij ingestelde Megalopolis-trofee postuum wordt toegekend aan Pim de la Parra.


Dina Damave
Prachtig weer zo’n reminiscentie aan een niet al te ver filmbeelden.Sterke beelden die je beschrijft.
Deen
Goed stuk Jur!
Dini Damave
Yes
Margot Barel
Wat mooi en liefdevol beschreven
Bodil
Leuk stuk Jur !