
(25 feb 2026) Wie The Zone of Interest gezien heeft en de film, net als ik, met ingehouden adem heeft bekeken zou eigenlijk ook het boek van Robert Merle moeten lezen, La mort est mon metier. ‘De dood is mijn beroep’ uit 1952 (en bij mijn weten niet in het Nederlands vertaald), gaat namelijk over dezelfde persoon: Rudolf Höss, de kampcommandant van Auschwitz. Het is zijn levensverhaal verteld door de hoofdpersoon zelf, vanaf zijn jongensjaren tot aan zijn gevangenneming door de Amerikanen. Dit is een roman, maar nauw gebaseerd op documentaire bronnen – de gesprekken/verhoren die Höss in gevangenschap voerde met een psychiater, zijn eigen levensbeschrijving en documenten van het Neurenbergproces waar Höss als getuige optrad. Het is tegelijk een ongelooflijk gruwelijk en zeer leesbaar boek, dat de eerdergenoemde film compleet in de schaduw stelt met zijn veel completere en waarachtige portret van de hoofdpersoon. Höss komt hier wezenlijk anders naar voren dan als de wat afwezige, paardrijdende figuur die de veelbekroonde Dresdense acteur Christian Friedel in de film van hem maakt. Met terugwerkende kracht leek Jonathan Glazers film, die ik toch erg goed vond, me een soort kinderspel vergeleken bij het relaas dat Robert Merle opdist.
Merle doet dat nuchter, snel, zonder omhaal van woorden en met een goed gevoel voor scènes en dialogen die zowel geloofwaardig als dramatisch werken. Het effect is er naar. We zien voor onze ogen hoe iemand kan uitgroeien tot een massamoordenaar, of moet ik zeggen een ‘medewerker’ aan massamoord? En dan zijn we bij de vraag die steeds meespeelt bij iedere afbeelding van de Shoah, de jodenvernietiging: ‘wie deden zoiets in godsnaam?’, ‘wat waren dat voor mensen?’ Met als onuitgesproken, onderliggende vraag: ‘hadden die mensen (nazi’s) dan geen medeleven, hadden ze geen geweten?’ Het beeld rijst op van een monster-mens: zonder gevoel voor anderen, sadistisch, zich verlustigend in wreedheid, een psychopaat. Dat was ook het verwachtingspatroon van een flink deel van de toeschouwers toen Adolf Eichmann – organisator van de transporten naar de vernietigingskampen – in 1961 in Jeruzalem voor de rechters gesteld werd: hier verscheen een topverantwoordelijke nazi in de openbaarheid, dat moest wel een monster zijn. Groot was de verbazing toen Eichmann een dunne, ielig-onhandige man bleek te zijn, die bovendien zijn eigen rol stelselmatig minimaliseerde. En zo beschreef ook filosofe Hannah Arendt hem in haar beroemde boek over de rechtszaak, dat school zou maken met de visie dat we hier het kwaad in al zijn banaliteit zagen. Geen monster, maar een doodgewone, zelfs onbenullige, man die kennelijk ergens het spoor bijster was geraakt. Waarmee een tweede antwoord gegeven was op de klemmende vraag wie doet zoiets, wie is daar toe in staat? Arendts visie – dat is een heel gewoon mens – is sindsdien omhelsd door allen die het kwaad graag willen voorstellen als een eigenschap die wij allemaal bezitten en het idee aanhangen dat wij dus ook allemaal in wezen tot hetzelfde in staat zijn, ja zelfs eigenlijk niet veel beter zijn dan de nazi in de beklaagdenbank. Deze democratisering en egalisering van het kwaad biedt de aanhangers een vreemd soort dubbele geruststelling; als wij het allemaal ‘in ons’ hebben dan is het misschien toch niet zo gruwelijk, en vooral moeten we dan hoognodig eerst naar onszelf kijken en niet naar de abjecte handelingen van de dader die we toch al liever niet onder ogen zien.
Merle’s portret van Rudolf Höss, hier opgevoerd onder zijn schuilnaam Lang, is een goed tegengif tegen deze opvatting. Het verschrikkelijke wordt getoond in zijn verschrikkelijkheid. In alle nuchterheid, zonder toegevoegde demonisering, zonder grootspraak of sentimentaliteit, mogen de levensfeiten voor zichzelf spreken. Omdat ik denk dat u het boek toch niet snel zal lezen zal ik het belangrijkste hier even samenvatten. Rudolfs jeugd wordt getekend door een zeer strenge, zeer religieuze vader die zijn gezin een ijzingwekkende discipline oplegt. De opstandige, maar richtingloze zoon ontsnapt door als militair mee te gaan vechten in Wereldoorlog één, waar hij al voor zijn achttiende gewend raakt aan het veelvuldig doden. Hij bekijkt het allemaal met erg veel afstand. Van religie moet hij niets hebben, maar des te meer van een zinnetje dat zijn oom hem meegeeft ‘Het vaderland is mijn religie’. Deze stuurloze, strenge jongen kan ook in de naoorlogse wereld moeilijk aarden, wordt op het laatste moment van zelfmoord afgehouden en vindt dan in een klap een houvast bij de bruinhemden van de SA. De cartoon van een jood in hun krant Völkischer Beobachter lijkt sprekend op de afbeelding van Satan uit het ouderlijk huis – en alles wordt hem ineens duidelijk: ‘De duivel is de Jood’. Het jodendom is de grote vijand van de geliefde Duitse natie. Bouwend op deze combinatie van strenge discipline, vaderlandsliefde en antisemitisme maakt Lang carrière binnen de nog steeds illegale stoottroepen van de sterk groeiende nazipartij en wordt toegelaten tot de elitegroep van Himmlers SS. Na Hitlers machtsovername geldt daar nog slechts een motto: trouw. En dat maakt voor Lang definitief alles helder. ‘Je hoefde jezelf geen gewetensvragen meer te stellen. Het was voldoende om trouw te zijn, dat wil zeggen om te gehoorzamen. Onze enige taak was gehoorzamen.’ En dat doet hij. Het is geen wonder dat zijn ijver en discipline opvallen en Himmler hem tot commandant maakt van het concentratiekamp Dachau, om hem jaren later te belasten met het bouwen van een geheel nieuw kamp, waar het niet meer gaat om opsluiting maar om vernietiging: Auschwitz. Dit zijn dan de kenmerken die de persoonlijkheid van Rudolf Lang uitmaken, alle in extreme mate: discipline, nationalisme, antisemitisme, gehoorzaamheid, afstandelijkheid en daarnaast enige ambitie. Denk nu zelf even na of u deze cluster al dan niet banaal vindt en in hoeverre u zichzelf hierin herkent.
Nogal adembenemend is de uitgebreide beschrijving hoe Höss uitvoering geeft aan de opdracht voor het vernietigingskamp. Hij begint ermee in 1940, in de zomer van het volgende jaar hoort hij het werkelijke en volstrekt geheim te houden doel, de Endlösung. En ook de rationale erachter, direct van Himmler afkomstig: ‘Als wij de joden niet nu vernietigen, zullen zij later het Duitse volk vernietigen. Het is zij of wij.’ Vanaf dat moment gaat het alleen nog over aantallen; er worden duizenden ‘eenheden’ per dag verwacht voor de ‘bijzondere behandeling’, aantallen waarvan hij rapport moet opmaken zonder een kopie te bewaren. Höss bestudeert de bestaande vernietigingstechniek van kamp Treblinka waar de aantallen echter veel kleiner zijn, komt dan zelf met het idee om gifgas Zyklon B te gebruiken en bedenkt nog veel meer ‘verbeteringen’ om deze mega operatie te laten slagen, tot aan het beste moment voor het roven van de trouwringen toe. Andere details zal ik u besparen, het is eenvoudig te erg om te herhalen. Met zijn voortdurende inspanning schept hij ‘een gigantische industriële installatie’, die naar behoeven functioneert en waar hij dan ook trots op is. Geen moment heeft hij er enige bedenkingen bij, alleen zijn assistent Setzler noemt het ‘toch behoorlijk verschrikkelijk’. Maar ja, dat is dan ook een kunstenaar, zo weten zijn collega’s; kort daarna pleegt Setzler zelfmoord.
Net als in de film bewoont Höss/Lang een huis vlak buiten het kamp. Voor zijn vrouw heeft hij de ware gang van zaken verborgen weten te houden, totdat een bezoekende officier uit de school klapt. Haar reactie is woede en verbijstering. Zijn verdediging is veelzeggend: ‘Ik kan er niks aan doen! Het is een bevel!” En: “De joden zijn onze ergste vijanden, dat weet je. Zij hebben de oorlog veroorzaakt.” En ook: “Ik ben er niet verantwoordelijk voor. Ik ben slechts een radertje.”
Rudolf Höss bleef tot eind 1943 commandant van Auschwitz en keerde er nog eens terug om mee te helpen bij de vernietiging van de Hongaarse joden. Na de Duitse capitulatie leefde hij een poos onopvallend op het land, tot de Amerikanen hem vonden en arresteerden. Höss werd als getuige opgevoerd in het grote proces van Neurenberg, maar kreeg zijn eigen rechstzaak in Warschau. Ooggetuigen hebben verklaard dat hij voor de rechter geen enkele emotie of berouw toonde (overigens net als de meeste andere hoge nazi’s). Bij Merle is Lang net iets minder rechtlijnig, als hij getuigt: ‘De jodenvernietiging was misschien een fout, maar ik heb hem niet verordonneerd’. En ook enig zelfinzicht toont: eerst vond hij zijn opdracht lastig, maar ‘gaandeweg verloor ik alle gevoeligheid’. Dat lijkt de sleutelzin in dit gruwelverhaal, al valt er veel voor te zeggen dat deze man zijn gevoeligheid al veel eerder verloren was. We hebben het dan over ontbrekende gevoeligheid voor anderen, empathie. Höss/Lang voldoet daarmee precies aan een van de essentiële karaktertrekken van psychopathie, zoals psycholoog Robert Hare ze opsomt in zijn standaardwerk Without Conscience. Maar ook weer niet aan alle: dezelfde ongevoeligheid gold niet voor zijn eigen vrouw en zijn vijf kinderen. Gevraagd naar het verschil, zei hij: ‘In het kamp gedroeg ik me als soldaat. Thuis gedroeg ik me natuurlijk anders.’ Een monster, met menselijke trekjes.
Ik schreef al: vergeleken bij dit uitgebreide en feitelijke verhaal verbleekt de toch aanzienlijke gruwel van The Zone of Interest. Die film richt zich vooral op de totale afzijdigheid van de huisbewoners, de alledaagse onverschilligheid voor wat zich achter de muur afspeelt – een parallel met hoe wij in het huidige westen onszelf ook afsluiten voor gebeurtenissen op andere plekken. Ongevoeligheid op dagelijkse basis. Het echte verhaal van Höss is een paar slagen erger: hier is alles bewust, gewild en opzettelijk. Een man die zichzelf willens en wetens tot een moordrobot maakt, en ervan overtuigd is dat hij dat moet doen omdat dat het goede is. Monsterlijk, weinig banaal. Mij lijkt het nauwelijks mogelijk om het leven van déze man en zijn ware daden tot onderwerp van een speelfilm te maken, daarvoor is het te walgelijk en immoreel; maar er bestaat een Duitse verfilming uit de jaren zeventig, die ik niet gezien heb.
De echte Höss werd ter dood veroordeeld en opgehangen, in Auschwitz, aan een speciaal geconstrueerde galg vlakbij zijn voormalige woning.



Pieter Jan Brugge
Beste Jurrien, dank voor dit boeiende artikel en indrukwekkende beschrijving van het boek dat je ongetwijfeld bekend is ook in het engels is verschenen onder de titel “Death is my Trade.” Helaas niet meer verkrijgbaar. Ik kende het boek van naam en heb lang geleden een beknopte samenvatting gelezen. Het moge duidelijk zijn dat het onderwerp mij bezighoud met name vanwege het werk van Primo Levi van wie ik een groot bewonderaar ben. Wat betreft de film van Jonathan Glazer, “The Zone of Interest” ben ik duidelijk in de minderheid. Naar mijn mening gaat de film n.l. niet over Hoss, i.t.t. het boek, maar plaats de kijker zelf centraal, middels mijns inziens een nogal vage en warrige identificatie met de hoofdpersoon en zijn familie, en de vraag stelt wat de kijker’s relatie is ten aanzien van wat zich achter de muren van het concentratie kamp Auschwitz afspeelt. Naar mijn mening een diep problematisch en sensationeel dramatisch uitgangspunt dat in vele opzichten te kort schiet en de toeschouwer een ‘free pass’ geeft t.a.v. de gruwelijke feiten die zich binnen de muren van Auschwitz hebben plaatsgevonden. In dat opzicht geeft jou beschrijving van het boek en wat betreft film’s “Sophie’s Choice” een dieper inzicht en gruwelijk en afschrikwekkend beeld en emotionele identificatie dat meer overeenstemming vertoont met de feitelijke geschiedenis. Ik hoop dat we elkaar in toekomst echt weer eens ontmoeten en spreken. Met hartelijke groet, Pieter Jan