
(5 feb 2026) Eerst een vraag: Wat zou je doen als je jezelf tijdelijk onzichtbaar kon maken? Gecontroleerd, met behulp van een bepaalde techniek. Zodat je helemaal niet gezien kan worden. Waar denk je dan als eerste aan, om te gaan doen?
Ik zeg meteen wat mij nu spontaan te binnen schiet: binnenkomen bij een paar uitverkochte dure concerten, zoals dat van Bruce Springsteen solo in Carré, en ik weet er nog wel een paar.
Maar daarna? Blijft het betrekkelijk onschuldig, of voert de fantasie al snel in de richting van sluimerende verlangens waarin seks en macht een rol spelen. Wil je onzichtbaar aanwezig zijn bij de eerste vergadering van het kabinet Jetten, of andere politieke geheimen betrappen? Dring je binnen in het privéleven van de familie Trump, of komt misschien het verlangen op om eens te proberen de slaapkamer van een begeerde filmster, vrouw of man, te bezoeken en daar mogelijk ook nog iets te ondernemen? Waarbij het natuurlijk de vraag is of en hoe je dat in alle onzichtbaarheid voor elkaar kunt krijgen, en hoe je jezelf, weer zichtbaar geworden, in de vreemde omgeving in godsnaam moet gedragen en voorkomt dat die ander de politie cq. de beveiliging belt. Of, een andere optie, maak je er simpeler gebruik van door je in te laten sluiten in een juwelierszaak, of ’s nachts uit een chique villa wat schilderijen en de juwelen van het nachtkastje mee te nemen? Gewoon lekker inbreken zonder betrapt te kunnen worden. Je ziet de verbijstering van de beveiligers al voor je bij het terugkijken van de camerabeelden: een onzichtbare dader, wat valt daar tegen te beginnen?
Dit is geen moderne science fiction. Het is de uitgangssituatie van een klassieke mythe die Plato (4e eeuw v. Chr.) laat vertellen door zijn broer Glaucon, in het begin van zijn grote werk Politeia, de Staat. Hoofdpersoon is de arme herder Gyges, in dienst van de koning van Lydië, Kandaules. Bij een geweldig onweer scheurt de aarde open en in de holte vindt Gyges een lijk met een mooie gouden ring aan de hand. Hij neemt de ring mee en ontdekt dat door de edelsteen op de ring een halve slag te draaien hijzelf pardoes onzichtbaar wordt voor zijn omgeving. Gyges doet nu het volgende: hij glipt binnen bij het koninklijke hof en (citaat) ‘daar aangekomen verleidde hij de koningin, met haar medewerking viel hij de koning aan, doodde hem en maakte zich meester van de troon’. Gyges wordt de nieuwe koning! Wat een drama in een enkele zin, die echter wel de nodige vragen onbeantwoord laat: wanneer maakte Gyges zichzelf weer zichtbaar, hoe ging dat ‘verleiden’ precies in zijn werk en hoezo kreeg hij zomaar de medewerking van de koningin om haar eigen man te doden?
Maar Plato, cq de verteller Glaucon, bekommert zich niet om de gaten in het verhaal. De mythe zelf is slechts een opstap naar een discussie over de goede of slechte inborst van de mens in het algemeen, een vraag naar zijn moraal. Glaucon gaat het om het basisverlangen van Gyges, pure lust, wat hij duidelijk ziet als slecht gedrag. Maar stel nu dat er twee van die ringen waren en ze werden gegeven aan respectievelijk een door en door ‘goed’ mens en een slechterik? Wat zouden zij dan doen, hoe zouden ze zich gedragen? Glaucon stelt dat er weinig verschil zou zijn, want zelfs de grootste goedzak zou niet ‘de ijzeren discipline opbrengen om op het goede pad te blijven’, wetend dat hij niet gepakt kan worden. Zijn stelling is dat we van nature egoïstisch zijn en alleen aan ons eigenbelang denken. Uitsluitend vanwege de bestaande wetten en verboden houden we onze impulsen in bedwang; ons gevoel voor ‘rechtvaardigheid’ is aangeleerd en door de maatschappij afgedwongen, niet natuurlijk. De Ring heft deze belemmeringen op en maakt de weg vrij voor de ‘universele inborst’: grijpen wat je grijpen kan. De ringbezitter ‘zou rustig uit alle winkels alles kunnen weghalen wat hij maar wilde. Elke woning zou hij kunnen binnendringen om met iedereen die hem aanstaat seksueel contact te hebben’, schrijft Plato. Aanranding en verkrachting dus, waarbij de rol van die passieve ander (en ook van het al dan niet zichtbaar worden, of al dan niet tastbaar zijn!) compleet onderbelicht blijft. Maar dat is ook niet het thema, het gaat om de blootgelegde natuurlijke inborst. De ring werkt als een open venster naar het menselijk innerlijk.
Socrates gaat nu in dialoog met Glaucon om hem ervan te overtuigen dat rechtvaardigheid niet een aangeleerd maar een bovenaards idee is dat wij allemaal kennen, net als schoonheid of moed, en dat functioneert als absolute richtlijn voor ons doen en laten. Hij betoogt dat onrechtvaardig gedrag op den duur niet loont en dat alleen een rechtschapen leven tot geluk kan leiden. Hij slaagt er met zijn nogal theoretische redeneringen echter nauwelijks in zijn gesprekspartner te overtuigen, zoals wel vaker het geval is in de Socratische dialogen als er een hardnekkige tegenstander verschijnt. En zo ligt het nog steeds. Ook de eigentijdse ethisch filosoof Peter Singer meent dat alleen wie volstrekt tevreden is met het eigen leven het buitenkansje van onzichtbaarheid (Springsteen!, juwelen!) aan zich voorbij zou laten gaan. Denk zelf maar even na, naar aanleiding van je antwoorden aan het begin, of dat ook op jou van toepassing is.
Er bestaat nog een andere, eerdere versie van het Gyges verhaal, van de Griekse verteller en historicus Herodotus (5e eeuw v. Chr.). Het is een veel meer ingevulde, en veel dramatischer versie: hier kennen koning Candaules en Gyges elkaar goed, Gyges is namelijk de dienaar, lijfwacht en vertrouweling van de koning. Als Candaules opschept over de schoonheid van zijn vrouw en Gyges hem niet meteen wil geloven, stelt de koning hem voor om zijn vrouw in haar slaapkamer te bespieden, met hulp van een ring die hem onzichtbaar maakt. Gyges wil dat helemaal niet en probeert eronderuit te komen, maar Candaules dwingt hem dit spel toch mee te spelen. Als de onzichtbare Gyges de mooie koningin naakt ziet slaakt hij een kreet, waarop zij hem ontdekt. Deze grove inbreuk op haar eerbaarheid kan maar op twee manieren goedgemaakt worden: met Gyges’ dood, of door zijn huwelijk met haar, waarvoor hij dan wel eerst de koning moet vermoorden. En zo gebeurt het dat Gyges, opnieuw onzichtbaar, zijn vriend Candaules vermoordt en zelf de nieuwe koning van Lydië wordt. Eigenlijk een grote tragedie.
Gyges heeft werkelijk bestaan, in de 7e eeuw voor Christus, en hij kwam inderdaad op de troon na een coup tegen de zittende koning Candaules. Verder is er niets over hem bekend. De ring moet een toevoeging van Herodotus zijn geweest, wat Plato weer naar zijn eigen hand heeft gezet. Vooral de oerversie werd de basis van vele hervertellingen en toneeladaptaties door de eeuwen heen, van Gide en Hofmannsthal tot aan Nooteboom; een versie van de negentiende eeuwse Duitse schrijver Friedrich Hebbel is nog door Toneelgroep Amsterdam gespeeld. Telkens kan in dit verhaal een nieuw aanknopingspunt gevonden worden dat het laat aansluiten bij eigentijdse problematiek: een versie van nu, als die al gemaakt zou worden, zou vermoedelijk het vanzelfsprekende seksisme problematiseren en de al dan niet begeerde koningin tot hoofdpersoon maken. Behalve via Plato is ook de alternatieve versie tot de filosofie doorgedrongen: filosoof Hans Achterhuis gebruikt de Herodotosvertelling als illustratie in een zeer positieve bespreking van het werk van de Franse filosoof René Girard en diens theorie van de mimetische begeerte. Ik denk dat hij zich daarbij vergist, dat zij zich allebei vergissen, maar dat vraagt om een aparte bespreking die misschien nog eens volgt.
Wat mij in deze geschiedenis vooral opvalt is dat die Ring zo duidelijk geen geluk brengt, terwijl dat toch de grote belofte lijkt. Het gecontroleerd onzichtbaar zijn onderwerpt de beoefenaar slechts aan lagere impulsen, en maakt hem tot aanrander, verrader en moordenaar. Achter de Herodotusversie schuilt een vertrouwde moraal van ‘doe maar gewoon, wijk niet af van het brede pad, en geloof niet in de snelle paadjes naar rijkdom en geluk’. Net als bij de mythe van koning Midas voor wie alles in goud veranderde – dat loopt ook niet goed af. Ik heb er een beetje een hekel aan deze moraal weer eens opduikt. Natuurlijk, ze is best verstandig, maar ook duf, onavontuurlijk en.. voor mijn gevoel onwaar. De Plato-versie, ook een sprookje, is harder maar waarachtiger: Gyges volgt zijn impuls en wordt ervoor beloond, al is de weg erheen vol gaten. Hij leeft zijn droom. De andere Gyges lijkt wel een moralistische correctie, met Herodotus en zijn navolgers in de rol van de zedenpolitie die de onzichtbare stouterik alsnog te pakken krijgen.
Ooit schreef ik het begin van een scenario voor een speelfilm die Onzichtbaar moest gaan heten. (Het Gygesverhaal kende ik niet.) Er was een kantoortje waar je je onzichtbaar kon laten maken als je je werkelijk doodongelukkig voelde. Zodat je niet de hele tijd met je diepe ongeluk (verlies, verlaten zijn, ontslagen etc.) voor de buitenwereld zichtbaar hoefde te zijn. En er was een hoofdpersoon die zich daar aanmeldt. De overige randvoorwaarden en ook hoe het verder ging ben ik vergeten, maar het was mijn bedoeling dat de (tijdelijke) onzichtbaarheid geen ongeluk maar juist troost zou bieden. Het idee kwam niet echt van de grond, omdat het me snel voor teveel praktische en filmtechnische vragen stelde. Het evolueerde tot een verhaal over een paar ongelukkige, maar zichtbare dertigers onder de titel Gedesillusioneerd, wat later herdoopt werd in DE ORIONNEVEL (1987). Met terugwerkende kracht vind ik dat oude idee zo slecht nog niet. Als ik het verhaal nu op zou pakken zou ik misschien ook zo’n ring in het script kunnen opnemen: als gadget te huur bij dat kantoortje, om langzaamaan terug te keren in de zichtbare wereld? Maar vooral zou ik de hoofdpersoon eerst een paar leuke onzichtbare ervaringen laten meemaken: om te beginnen Bruce Springsteen solo in Carré. Wie weet voelt hij (zij?) zich na een poosje weer zo goed dat de ring ineens niet meer werkt, omdat hij er te gelukkig voor is geworden. Wordt hij plotseling op een ongelegen moment weer zichtbaar. Dan volgen de dramatische complicaties vanzelf.
Deen
Haha, prachtig Jur!
Als de ‘Fly on the wall’ ben ik een filmende Gyges…
Deen
Jurriën Rood
Ja, mooie! Onzichtbaar aanwezig zijn met camera en al, dat is wel heel ironisch. Benieuwd wat Plato ervan zou zeggen. Ik moet er in elk geval nog over doordenken.