
(24 jul 2025) Het zal wel komen omdat ik zo uitgebreid over een oude film van Pim (de la Parra) geschreven heb, dat ik de noodzaak voel om dit te balanceren met een herinnering aan de andere helft van het ooit illustere filmduo Pim & Wim. Balans moet er zijn. Daarom, op de kop af eenentwintig jaar na zijn overlijden, hier enkele impressies van Wim Verstappen (1937-2004), Nederlandse filmrebel van het eerste uur.
Zo zichtbaar als Pim was voor mij als filmacademiestudent, filmfanaat en -criticus in het midden van de jaren zeventig, zo onzichtbaar was zijn Scorpio-partner. Wim had een reeks films geregisseerd waaronder mijn favoriet VD, hij stond bekend als het financiële genie achter Scorpio Films én ook had hij een reputatie opgebouwd als schrijver van harde, vlijmscherpe filmkritieken in Vrij Nederland. Maar hij liet zich niet zien op de filmpremières en andere bijeenkomsten waar ik kwam, (of stond hij misschien in een hoekje te praten en liet de PR over aan de veel extravertere Pim die nooit terugdeinsde voor zelfpromotie?) Pas veel later begreep ik dat hij een tijdlang in Ierland was gaan wonen, om belastingtechnische redenen. Hij was er gewoon niet in die periode.
Mijn eerste echte kennismaking met Verstappen, een tijdje later, was niet erg geslaagd. Ik liep binnen in het nieuwe redactielokaal van Skoop, het filmmaandblad waar ik weer voor was gaan schrijven, en trof daar Verstappen aan die hardop en met hoongelach voorlas uit een artikel waar hij het overduidelijk hartgrondig mee oneens was. Na even luisteren begreep ik dat het mijn stuk was, over de politieke uitgangspunten van enkele nieuwe Amerikaanse films – en hij begreep dat de schrijver zelf zojuist was binnengekomen, wat een eind maakte aan zijn optreden. Ik herinner me niet hoe de scène verder is gelopen en tot rust is gebracht, het werd in elk geval geen slaande ruzie zoals jaren eerder met Rob du Mée. Wim vond het onbegrijpelijk dat ik het had over een ‘verrechtsing’ en ik gaf spontaan tegengas, nogal verbaasd over deze verwelkoming. Want tenslotte was ik gevraagd om weer te komen schrijven voor het filmblad, dat met de komst van Rogier Proper en Wim Verstappen een complete facelift zou ondergaan.
Gelukkig werd de eerste ontmoeting niet kenmerkend voor onze omgang. In de jaren erna kreeg ik veel met Wim te maken en leerde hem kennen als bijzonder, geestig, onvoorspelbaar en soms onuitstaanbaar, vaak in snelle afwisseling. Bij Skoop begon hij mijn bijdragen zowaar te waarderen en tot twee keer toe vroeg hij me zelfs om het hoofdredacteurschap over te nemen, waar hij en Rogier intussen weer van af wilden. (Ik heb het niet gedaan, wilde mezelf niet compleet onderdompelen in het kijken naar andermans werk. Wel heb ik korte tijd het hoofdredacteurschap gedeeld met Harry Hosman.) Ze hadden het blad intussen voor een veel breder publiek aantrekkelijk gemaakt met een populairdere aanpak én een layout vol met plaatjes, de oplage was omhoog geschoten. Wims belangrijkste eigen bijdrage bestond uit analyses van beroemde films die hij op de montagetafel uiteenrafelde, van Kurosawa tot aan Deep Throat, vol met stills uit de besproken scènes. Dat waren erg goede, leerzame en vaak geestige stukken; het is een wonder en eigenlijk een schande dat ze nooit gebundeld heruitgegeven zijn als lesmateriaal. (Ik vermoed dat daar een pijnlijke strijd om de auteursrechten achter zit, waar ik hier niet over zal uitweiden.) Naschrift: Hier zit ik er helemaal naast. In 2016 verscheen precies dit boek: ‘Analyses op de Montagetafel’ bij uitgever Scorpio Press. Mijn excuses. Bij Bol is het nog te krijgen, zag ik.
Tegelijkertijd leerde ik Wim ook kennen als regisseur, toen ik gevraagd werd om zijn assistent te worden bij Grijpstra&De Gier, een politiefilm die hij met zijn vertrouwde Scorpio-crew ging maken voor producent Rob Houwer. Als herhaalde kennismaking bezocht ik hem in de Buitenvelderste flat waar hij toen woonde. Het eerste wat me daar opviel was een kleine telescoop, midden in de woonkamer op statief opgesteld en gericht op de overburen. ‘Je moet echt niet alles geloven wat ze over me in de krant schrijven’ zei Wim als begroeting, ik had geen idee wat hij bedoelde. Het ging hem om wat de Telegraaf toen schreef over zijn verhouding met Sylvia Kristel, de wereldberoemde Nederlandse ster van softporno films. Maar ik las die krant niet en zijn liaison met la Kristel leek me een complete privézaak, ik was er helemaal niet mee bezig en uitsluitend benieuwd naar de filmer Verstappen. Ik werd overigens aangenomen en deed vanwege tijdgebrek uiteindelijk geen regie-assistentie, maar het meer organisatorische opnameleiding. Enkele fragmenten van Wim-in-actie die me bijstaan: een man in een fladderend colbertje of dito regenjas die vrij ontspannen over zijn eigen sets liep en regelmatig met zijn vertrouwden bij de camera stond te ginnegappen, of practical jokes te bedenken. Geen schreeuwer, geen paniekmaker, eerder een wat verlegen toeschouwer bij zijn eigen film. Snel werkend, zonder ophef. Wim praatte vaak in onaffe zinnen alsof de helft van de gedachte ook al genoeg moest zijn, maar hij kon ook heel kernachtig uit de hoek komen. Over het affiche van ‘Twee Vrouwen’, de film waar ik veel aan had bijgedragen, met een rode driehoek over de schaamstreek van een naakte vrouw: ‘dat is wel een heel rare plek om je NSB-speldje te dragen’. (Niet erg nauwkeurig: het NSB-speldje was rood-zwart en had de punt naar boven gekeerd. Toch best geestig.) Soms leek hij vooral verwikkeld in een gesprek met zichzelf, waarvan dan ineens een stukje naar buiten kwam. Hoogtepunt daarin: Wim loopt langs een rij figuranten die klaarstaan op een tramhalte en zegt ineens tegen een van hen ‘Paardenbek’. Subtekst die eruit flapt, niet gemeen bedoeld, we hebben er vreselijk om moeten lachen; hij is zich trouwens wel gaan verontschuldigen. Het zou nu vermoedelijk als grensoverschrijdend incident gezien worden en grote gevolgen krijgen. Toen nam iedereen het voor wat het was: een ongelukkige, malle uitglijer.
Wim was een fervent briefschrijver en uitte zijn waardering eerder schriftelijk dan live. Zo’n brief stuurde hij me na afloop van de film, vol complimenten. Evengoed kon hij schriftelijk woedend worden omdat ik in Skoop weer iets over Nederlandse films geschreven had dat hem niet beviel. Of ronduit razend omdat we in het blad een film van hem vrij kritisch bespraken. (Als zijn woede me te gek werd schreef ik terug, op dezelfde toon). Om me daarna ineens weer te vragen om een rolletje te komen spelen in zijn volgende politiefilm; ik zag er weinig in, had nauwelijks acteerambitie en vond de scènes nogal vol zitten met flauwe dialooggrappen. Hooghartig, ja. Maar dan kreeg ik een volgende brief met de vraag om mijn kritiek en dialoogverbeteringen precies op te schrijven, met paginanummers erbij. (Gedaan, niet de rol genomen) Het kon steeds vele kanten op.
Ik heb Wims brieven natuurlijk bewaard. Pas na zijn plotselinge dood las ik ze terug en verbaasde me, zowel over de enorme felheid als de grote toewijding die eruit sprak. Het plan kwam op om een boek te maken van de brieven van Verstappen, analoog aan het al bestaande boek van Truffaut, nog zo’n intense brievenschrijver. Het had onderdeel moeten worden van een groter Wim-herdenkingsprogramma, vijf jaar na zijn dood. Helaas is daar weinig van terecht gekomen, dankzij de al genoemde vervelende rechtenstrijd op de achtergrond. Erg jammer, ik vond dat Verstappen het alleszins verdiende om groots herdacht te worden.

Want hij voegde nog een heel nieuw hoofdstuk toe aan zijn filmcarrière. Begin deze eeuw leerde ik Wim opnieuw kennen, in zijn nieuwe hoedanigheid van hoeder van het filmauteursrecht en initiator/geldschieter van diverse filmorganisaties. Zijn carrière als maker had hij gestopt, hij was docent geworden op de Filmacademie en had zich vastgebeten in het onrecht dat kabelmaatschappijen via tv-zenders het werk van filmers doorgaven zonder daar iets voor te betalen. Na jarenlange processen kreeg hij gelijk en toen kon met het afgedragen geld de auteursrechtenorganisatie VEVAM opgezet worden. In feite het werk van één man, ten gunste van alle Nederlandse filmmakers. Daardoor kwam er ook een potje beschikbaar voor een vereniging die de belangen van filmregisseurs ging behartigen: de DDG, Dutch Directors Guild, waar ik een tijdlang penningmeester was.
Zo kwam ik opnieuw bij Verstappen aan tafel; maar hij leek wel een andere man nu, rustig, vriendelijk en behulpzaam, misschien omdat de praktische filmdruk van hem was afgevallen. Wim hielp de DDG op een essentieel moment aan een steviger financiële basis en schoot ons te hulp toen we een acuut personeelsprobleem kregen. Ook had hij er lol in om het DDG-bestuur een complete, zelfgemaakte Indische maaltijd op te dienen, en daarbij te praten over alles wat hem bezighield. Niet veranderd was zijn neiging tot stellige meningen en oordelen, waar ik wel pap van lustte: van Chaplin en Hitchcock tot aan de nieuwste films en -makers. Wim zag alles en had overal een mening over; met zijn filmfilosofische stellingen – ‘de filmkritiek bespreekt altijd je vorige film’ – had hij wel iets van een Nederlandse Godard. Maar even makkelijk ging het over klassieke muziek: Beethovens zevende, waar ‘Wagner alles van had gejat’. En natuurlijk dat er maar één thema echt de moeite waard was: namelijk ‘goed en kwaad’, meestal gekoppeld aan de tweede wereldoorlog. Ik moet daar vaak aan denken sinds ik zelf ben gaan schrijven over het (oorlogs)kwaad. Wim was ook nog steeds bezig filmscripts te schrijven en voor te bereiden, bijvoorbeeld over vervalser Van Meegeren of dirigent Mengelberg, (goed en kwaad rond de oorlog) maar ik geloof niet dat hij nog voor zich zag om ze ook zelf te regisseren.
Voor plotselinge uitbarstingen hoefde ik in elk geval niet meer op m’n hoede te zijn. De ooit zo felle man was aaibaar geworden, mooi om mee te maken. Typerend was de laatste keer dat ik hem zag, vlak voor hij ziek werd: we hadden als DDG een avond georganiseerd met en ter ere van Paul Verhoeven, die toen in Nederland nog steeds niet de erkenning kreeg die hem toekwam (dat zou vlak daarna losbarsten). Het werd een erg geslaagde avond met een lang interview door DDG-voorzitter Rudolf van den Berg voor een propvolle zaal vol filmmakers en -betrokkenen. Tijdens de borrel na afloop kwam Wim bij me staan en vertrouwde me toe dat hij echt geen hekel had aan Paul Verhoeven, zoals iedereen dacht en ik waarschijnlijk ook. Wat hij ooit over hem geschreven had, ja, dat was echt niet zo kwaad gemeend, zei hij met zijn kenmerkende verlegen, half-affe manier van spreken. Wim doelde op een of meer artikelen uit de tijd van Turks Fruit, waarin hij flink tekeer was gegaan tegen Verhoeven en diens scriptschrijver Soeteman. Het was intussen dertig jaar geleden. Ik dacht eigenlijk niet dat hij daarom nog steeds in oorlog was met zijn inmiddels wereldberoemde ex-collega, en ik had ze ook wel eens samen gezien in een gefilmd interview waaruit het tegendeel bleek. Maar ik werd erdoor geraakt dat het hemzelf nog steeds zo hoog zat, dat hij op deze avond tegenover mij het misverstand alsnog wilde rechtzetten. Indrukwekkend en ontroerend, deze man, en een echte Nederlandse filmgrootheid.