
(27 jun 2025) Na het openingsconcert loopt een jongeman naar voren om aan te kondigen dat zodirect de sessie gaat beginnen en de aanwezige muzikanten worden uitgenodigd om eraan mee te doen. Tot zover heel normaal. Maar hij zegt nog iets: de organisatie vindt het erg belangrijk dat het podium een veilige plek zal zijn voor iedereen en hetzelfde geldt natuurlijk voor de zaal en voor de binnen- en buitenruimtes eromheen. Als iemand zich niet veilig voelt kan deze persoon zich steeds melden bij de spreker, dan wel bij iemand anders achter de bar. Dat was het, veel plezier vanavond. Er volgt een verplicht applausje en een flink deel van het jonge publiek vertrekt naar buiten, want het is warm vanavond. Ik blijf steken bij wat hij gezegd heeft.
Het is voor het eerst in ruim dertig jaar ervaring op jamsessies dat ik dit meemaak: een beroep op een veilige muziekomgeving, of eigenlijk een veilige speel-, luister- en chillomgeving. Misschien niet zo raar, want dit is de wekelijkse jamsessie georganiseerd door studenten van de Hochschule für Musik, het Dresdense conservatorium. Het streven naar een veilige werkomgeving hebben ze waarschijnlijk vanuit hun opleiding meegekregen. En er is niets op tegen om daar nog eens toe op te roepen, al wordt dit gebied eigenlijk al afgedekt door huisregels, algemene omgangsregels en zelfs wettelijke bepalingen en verboden. Onwillekeurig vraag ik me af of er kort geleden soms iets vervelends is voorgevallen op deze jam, al lijkt me dat onwaarschijnlijk. De jonge deelnemers kennen elkaar vrijwel allemaal (van de school) en treffen mij altijd als vriendelijk, voorkomend en keurig. Ik zal het navragen.
Maar de jam in de Blaue Fabrik, een mooi verbouwd vrijstaand pand naast de spoorbaan, is om een heel andere reden juist verre van veilig, en dat is wat mij in de dagen erna blijft bezighouden. Deze conservatoriumjamsessie heeft een nogal hoog niveau, het is in Dresden en omgeving ongetwijfeld de plek waar de beste (jazz)musici samenkomen. Nogal wiedes, dit zijn professionals in opleiding of net afgestudeerden, en niet zoals op de meeste andere sessies, goedwillende hobbymuzikanten die eens in de week samenkomen om wat nummers te spelen. Het leidt ertoe dat deze open sessie een vrij besloten karakter heeft, omdat er nauwelijks mensen ‘van buiten’ meedoen. De meesten durven niet, benauwd voor het hoge niveau en voor de kritische blikken en oren van het jonge, ingewijde publiek. En dat leidt er weer toe dat je als toehoorder soms naar een wat plichtmatig gebeuren zit te kijken, van jongemannen (het zijn vooral mannen, ‘witte mannen’ moet ik er misschien bij zeggen, waarom eigenlijk?), die vooral voor elkaar lijken te spelen, of voor een virtuele docent in de zaal. En die wat wantrouwig kijken naar elke nieuwkomer, wat overigens bij iedere jamsessie vanuit de wat vastere kern gebeurt: kan die onbekende wel iets, of gaat ie de boel verpesten? Dit alles zorgt ervoor dat onder mijn vele kennissen in de Dresdense (pop/jazz)muziekscene de jam in de Blaue Fabrik vooral als geducht te boek staat: erg goed, maar ontoegankelijk. Je voelt je er als eenvoudige muzikant niet veilig.
Dit geldt allemaal zeker ook voor mij. Ik ken de sessie al lang, heb er wel eens meegespeeld, en schrik evengoed terug van al het geëtaleerde technische kunnen. Maar juist de laatste tijd heb ik mezelf gepusht en ben, met de sopraan- of altsax onder de arm, naar de Blaue Fabrik gegaan. Want het meespelen met gezongen liedjes gaat na tientallen keren ook wel eens te eenvoudig aanvoelen, het richting geven aan de chaos van een compleet open jamsessie blijft niet steeds uitdagend. En dit is het echte werk, voor zover het om jazz gaat; hier kan je werkelijk een standard oefenen, begeleid door een band van puike jonge muzikanten, en kijken of het lukt om een solo te spelen op Softly, as in a morning sunrise waar het publiek (mannen én vrouwen) ook naar wil blijven luisteren. Om beter te worden moet je de lat omhoog schuiven. Ik wilde mezelf op de proef stellen door tussen de Hochschule-jongens te gaan staan. Dat is tot nog toe goed gelukt en overigens zijn die jongelui, die theoretisch mijn kleinkinderen zouden kunnen zijn, altijd aardig voor mij met m’n grijze haar en volstrekt bereid om stukken die ik inbreng onmiddellijk te spelen. (En natuurlijk luisteren ze dan de eerste minuut extra kritisch om te zien of ik er wel iets van bak.) Maar mij gaat het nu om die veiligheid.
De Blaue Fabrik is voor mij, muzikaal gesproken, een toppunt van onveiligheid. Opzettelijke, vrijwillig opgezochte onveiligheid. Het is een soort spitsroeden lopen. En jazz spelen betekent toch al veel onveiligheid en onzekerheid, want na de vaak nog wel bekende melodie volgt de solo, die altijd een complete sprong in het onbekende betekent. Spontane improvisatie is zo onveilig als wat. Het is ook erg lonend, als het lukt om lekker te spelen, verslavend zelfs. Het kan ook behoorlijk verschrikkelijk zijn, als het niet lukt, zeker als je nog een beginner bent. Ik ben van het podium gestuurd, openlijk uitgelachen, dwarsgezeten of opzettelijk overgeslagen door collega muzikanten – geen fijne ervaringen, nu gelukkig lang geleden. Maar was ik me ergens gaan beklagen wegens muzikale onveiligheid, als dat destijds mogelijk geweest was? Ik denk het niet. Natuurlijk is het niet o.k. als dit soort negatieve mores normaal zijn op een muzikale bijeenkomst, maar het kan ook geen kwaad om tegen een stootje te kunnen, niet in de muziek en niet in het leven. Het heeft me op den duur zeker beter gemaakt: volhouden, meer oefenen, beter gaan spelen, dan snoer je ze de mond. No guts no glory.
‘Het belangrijkste is bluf’, zei ooit een selfmade (goede!) zangeres tegen me. En zonder een portie bluf kan je (ik) inderdaad geen solo staan spelen tussen de conservatoriumstudenten. Een andere kennis vertelde dat hij in zijn jeugd veel had moeten vechten: ’het heeft me geen kwaad gedaan’, zei hij rustig. Dat zijn dingen die mij door het hoofd gaan, na de oproep voor een veilige jam-omgeving. De veilige jamsessie, het klinkt voor mij ten dele als een innerlijke contradictie. Natuurlijk wil ik niet fysiek lastig gevallen worden, nergens (maar dat zullen ze daar in de Fabrik echt niet doen). Het is me in Nederland in al die tijd misschien twee keer overkomen: meteen protesteren, je mond opendoen, schreeuwen, klagen. Jazeker, fysiek moet het veilig zijn. Maar als datzelfde ook op geestelijk en muzikaal gebied vereist wordt – de kritische blikken en oren, een schampere lach, een slechte beoordeling misschien? – gaat me dat te ver. Het is precies hoe ik aankeek tegen de sleutelscène uit de film Tár, waar de strenge dirigente clasht met een muziekstudent: hij klapt dicht onder haar kritische blik en ook als zij zegt ‘speel nu maar gewoon iets wat jij wilt’ komt er niets meer uit hem. Kom op!, dacht ik; je bent een student van Juilliard, een van de gerenommeerdste muziekscholen ter wereld, je kan dus van alles, maar je moet ook wat kunnen incasseren, je moet ook durven en je kans grijpen.
Het leven bestaat niet alleen uit gemak en positieve ervaringen. Studeren betekent niet alleen maar over je bol geaaid worden. Beter dan alle rotervaringen te vermijden of te willen verbieden lijkt het mij om te leren ermee om te gaan en daar sterker door te worden. Ik kan alleen maar hopen dat deze jonge muzikanten zelf ook eens onveilige situaties zullen opzoeken, om zich ermee te meten. Dat is nodig als je op een podium wilt staan. En eigenlijk ook als je in het leven wilt staan. Zeker kan het mooi zijn als iedereen voortdurend zacht en aardig voor elkaar is, maar zover zijn we nog lang niet. En het opeisen ervan, door alleen maar kwetsbaarheid naar voren te draaien, is mijns inziens aan het verkeerde eind beginnen. Juist in deze tijd waarin de wereld wel lijkt terug te draaien naar een heerschappij van het recht van de sterkste, is het eerder nodig om zelf kracht te ontwikkelen en weerbaarheid. De bescherming van onze kwetsbaarheid moeten we niet overlaten aan regels, wetten of aan de overheid – dat moeten we ook en steeds zelf doen.
Gelukkig bedacht ik dit allemaal niet tijdens het spelen, dan was er van de solo’s niets terechtgekomen. Voor het surfen over de golven van muzikale onveiligheid heb je al je concentratie en goede zin nodig. De filosofie komt daarna wel weer.