
(10 juli 2026, in de serie Citaten om op te kauwen)
Geloof hen die de waarheid zoeken, twijfel aan hen die hem vinden
Twijfel aan alles, maar twijfel niet aan u zelf.
Literatuurprofessor Pierre Lachenay sluit zijn optreden voor een volle zaal af met het voorlezen van dit citaat. Het is afkomstig van André Gide, een van Frankrijks meest vooraanstaande schrijvers van de twintigste eeuw en winnaar van de Nobelprijs. De professor oogst er veel succes mee bij het publiek en weet er ook indruk mee te maken op de jonge blonde stewardess die meeluistert en met wie hij een hevige buitenechtelijke affaire begint. Pierre is op een top van zijn leven aangekomen, misschien kan hij daarom wel zoveel overtuiging leggen in het Gide-citaat. Hij bestaat overigens niet echt: Lachenay is de hoofdpersoon van een speelfilm en alles rondom zijn persoon, van zijn optreden tot aan zijn affaire, is bedacht en in scène gezet. Alleen het citaat van Gide is echt.
Ik zag La peau douce (De zachte huid) heel lang geleden, in het begin van mijn filmkijkcarrière en heb hem nooit teruggezien, misschien ook uit angst dat het zou tegenvallen. Want het simpele verhaaltje, over een vrij gewone middelbare man die zich weer jong en krachtig gaat voelen door zijn geheime avontuur met een veel jongere minnares, maar er duur voor betaalt – sprak me enorm aan. Terwijl ik me als 18-jarige toch nauwelijks direct kon identificeren met de personages en hun omstandigheden. Het moet veroorzaakt zijn door de onverbloemde directheid en intensiteit waarmee het verteld werd. Dit was een van de films die mij direct tot een grote liefhebber maakten van het werk van François Truffaut, regisseur en co-auteur van het originele scenario. Het laat nog maar eens zien dat identificatie, waar zo vaak mee gedweept wordt door zogenaamde filmkenners en -beslissers, in zijn directe vorm veel minder belangrijk is dan men denkt. Vermoedelijk identificeerde ik me met de stijl van de vertelling, met de toon van de film, de grote betrokkenheid bij zijn hoofdpersonen zonder dat het overdreven wordt of sentimenteel – ik identificeerde me met de film zelf, of waarschijnlijk is het beter om te zeggen dat deze manier van filmisch vertellen mij raakte, zonder dat ik me per se hoefde te herkennen in de getoonde mensen en situaties. (Herkenning wordt ook zwaar overschat door de diverse filminstanties). In laatste instantie was het vermoedelijk een bepaalde gevoeligheid die mij aansprak.
Nu ik de film wel heb teruggezien weet ik dat ik de herinnering te mooi gemaakt heb. Het citaat presenteert Pierre, die géén professor is maar wel beroemd, juist op het moment dat zijn overspelige verhouding al weer begint te kantelen. En Nicole, zijn geliefde, mag niet naar binnen in de uitverkochte zaal en hoort de toespraak slechts via de luidsprekers in de hal. Het is bepaald geen triomfantelijke episode, maar juist een vol onzekerheid, in een film die door zijn bijzondere, nerveuze vormgeving toch al een sfeer van voortdurende onrust schept. Scènes worden onderbroken door een vloed aan close ups, in het prachtige zwartwit van Raoul Coutard: van sleutels, lichtschakelaars, schoenen en andere details, alsof Bresson zelf meeregisseerde. En nergens komt de rust terug van het beginbeeld waar twee handen, één met trouwring, elkaar strelen en omstrengelen – de zachte huid blijft in het vervolg buiten bereik. Alles dwingend begeleid door de intense, zware muziek van Georges Delerue, die er geen twijfel over laat bestaan dat dit een drama gaat worden.
Natuurlijk komen sommige aspecten intussen gedateerd over: de afhankelijkheid van de vrouwen, de afstandelijk autoritaire houding van de man. En voor een eigentijdse kijker is het moeilijk te geloven dat een literatuurcriticus even bekend en geliefd zou zijn als een Grunberg nu en overal volle zalen trekt, maar dat hij vervolgens niet herkend wordt als hij met zijn geheime vriendin in een restaurant zit te dineren. Ach, dat zijn onbelangrijke details in een vertelling die nog steeds pakt en opvalt door zijn gevoeligheid. Truffaut was een (manlijke) cineast in een tijd dat de bioscoopfilm nog door mannen en het beeld van klassieke manlijkheid gedomineerd werd, die echter ongegeneerd gevoelig durfde te zijn. Niet sentimenteel, niet over-geromantiseerd, maar intiem en discreet: van de uiterst schuchtere toenadering van de geliefden tot aan de woede van de echtgenote, alles is ingehouden en komt daardoor des te sterker over. Steeds richt hij zijn aandacht op manlijke én vrouwelijke zwakte en de daaruit voortvloeiende pijn. La peau douce is lang niet zijn bekendste of meest succesvolle film; bij de première in Cannes werd hij zelfs uitgefloten. Maar in al zijn simpelheid is het wel een erg sterke. Later zou Truffaut met dezelfde intense gevoeligheid vertellen over het wilde kind van Aveyron in l’Enfant Sauvage, over een man die zijn gestorven geliefde niet wil vergeten (La chambre verte) en nog eens over fataal overspel in La femme d’à coté.
Des te opmerkelijker is het stellige citaat dat Pierre met overtuiging de zaal ingooit. Een schitterend en optimistisch motto. Maar ook innerlijk tegenstrijdig. Want het citaat is zelf natuurlijk ook een waarheid, het is zelfs een pontificaal neergelegde stelling. Die moeten we dus eigenlijk betwijfelen, en die twijfel ook uitbreiden tot de auteur. Gide heeft hier een fraaie innerlijke paradox neergelegd, te vergelijken met de zin ‘alle Kretenzers liegen’(uitgesproken door een Kretenzer). En wat het tweede deel betreft: daar kan Pierre zich zelf al niet aan houden. Hij gaat door zijn affaire aan alles twijfelen en dus zeker ook aan zichzelf. Bijzonder eigenlijk, dat ik over een halve eeuw heen juist dit moment heb onthouden, en dit citaat woord voor woord met me heb meegedragen. Misschien wel omdat het uit de film omhoog springt als een kleine rots van zekerheid in een zee van onzekerheid en twijfel, die door de film letterlijk verbeeld wordt. Maar waarschijnlijker omdat het gewoon zo’n sterke uitspraak is; bij alle terechte twijfel niet aan jezelf twijfelen – het is een ideaalbeeld, een waar levensmotto.

André Gide schreef deze zinnen in het boek Ainsi soit-il (Het zij zo) ofwel Les jeux sont faits (Het is gedaan), een van zijn laatste werken waarin hij terugkijkt op zijn leven. Adviezen geven wil hij niet, maar doet het dan toch, omdat er zoveel jongeren zoekende zijn. En dan volgt zijn raad over geloof en twijfel. Behalve een beroemde, gelauwerde literator was Gide ook een controversiële persoonlijkheid: openlijke homoseksueel toen dat nog bij wet verboden was, met een voorliefde voor minderjarige jongens. Als een der vele Franse aanhangers van het Sovjet-communisme ging hij er zelf kijken en schreef bij terugkomst een eerlijk verhaal over wat hij aantrof: Retour de l’URSS (1936), het pijnlijke verslag van een complete desillusie. Het kostte hem vele vriendschappen. Gide wist precies waar hij het over had toen hij de zinnen over twijfel-zonder-zelftwijfel opschreef, hij leefde ernaar en betaalde er voor.
Maar kunnen wij het ook? Niet aan jezelf twijfelen, terwijl je de twijfel kent? Ga er maar aan staan. Wie twijfelt er helemaal nooit aan zichzelf – dat zijn blinde dwazen. In de film twijfelen ze allemaal, ook aan zichzelf. Maar de vrouwen hakken wel knopen door, en Truffaut lijkt op hun hand te zijn. Pierre betaalt zwaar voor zijn blijvende aarzelen. De film lijkt een kritische meditatie rondom het Gide-motto: je kunt niet blijven twijfelen. En ik? Leef ik naar dit fraaie motto dat ik zo goed onthouden heb? Nooit aan jezelf twijfelen, steeds in jezelf blijven geloven – ik doe m’n best, maar die lat ligt erg hoog. Gide’s pad ligt voor me als een fraai droombeeld waar ik me zeker aan heb opgetrokken. In mijn eigen advies aan zoekende jongeren zou ik zijn tweede zin parafraseren: ‘twijfel niet teveel, en vooral niet aan jezelf’.
La Peau Douce (1964) script: Truffaut en Jean-Louis Richard.
André Gide Ainsi soit-il of: Les jeux sont faits (1952)
Gide (1869-1951) won de Nobelprijs voor literatuur in 1947


Geef een reactie