Twee grote kunstenaars op één dag

geplaatst in: Film & TV, Humor, Kunst, Muziek, Theater | 0

 (18 juni ’26)  Sinds een paar jaar gaat het hard. De dood zelf is niks nieuws, die was er altijd al. Maar dan ging het om de familiegeschiedenis, om oudere mensen, of, heel tragisch, om leeftijdsgenoten die veel te vroeg verdwenen. Nu is het anders. Ik ben zelf ouder, al wil ik daar weinig van weten (Stones: ‘Let the old still believe that they’re young’). En ineens slaat de dood toe bij mijn leeftijdsgenoten, ook al vind ik dat hij ons tot aan de 80 gewoon met rust moet laten – maar daarover een andere keer. Hier gaat het me om de generatie boven mij, die de tachtig inderdaad gehaald heeft. Die enorme groep van kunstenaars, denkers, politici en andere voortrekkers waar ik van jongs af aan naar keek en me aan heb opgetrokken, van wie ik heb geleerd en tegen wie ik me af heb kunnen zetten. Daar gaat het erg hard. Er gaat geen week voorbij, zelfs bijna geen dag, zonder zo’n sterfgeval dat ik me aantrek. Ja, ik weet wel dat dit de natuurlijke gang van zaken is binnen onze levensvorm, en toch raakt het me. Omdat dit mensen zijn waar ik een band mee had, al kende ik ze meestal niet persoonlijk. Of soms ook een beetje persoonlijk. Twee zulke ‘nabije’ kunstenaars zijn op één en dezelfde dag gestorven, ik moet er iets over kwijt.

——–

Bij WIM T. SCHIPPERS heb ik ooit, eventjes, geassisteerd. Hij was als (beeldend) kunstenaar al bekend toen ik nog op school zat, begin jaren zeventig. Een flesje prik leeggieten als kunstwerk, we deden het na op een schoolfeest, ik heb het nog gefilmd. De enorme stoel (was hij niet paars?) in het Vondelpark. En vooral: het Rembrandtplein vol gezet met identieke stadsklokken voorzien van idiote naamborden: Bugpeh, AvPlu, Tepper­don  – schitterend. Ik heb het veel later gebruikt in een taalfilosofisch artikel. Daaroverheen kwamen de absurdistische tv-shows. Fred Haché, Barend Servet, Sjef van Oekel waren de uithangborden van een wereld van anarchie en opstand, waar ik als filmstudent wel pap van lustte. Een studiodecor wordt tijdens de uitzending platgewalst om plaats te maken voor een stuk asfaltweg, en Edwin Rutten springt tevoorschijn om ‘King of the Road’ te zingen. Een bezoekje bij de koningin die aardappels schilt en flink zit te drinken. Deze maker had duidelijk maling aan alles en iedereen. Mijn dierbaarste stukje absurditeit was toen Servet de tijd belde – dat kon toen, in dat prehistorische analoge tijdperk; er was een kort telefoonnummer en daar meldde een bandje hoe laat het precies was; er was ook zo’n nummer voor de weersverwachting. Afijn, Servet belt de Tijd, hij krijgt een keurige oude mevrouw aan de lijn, die hem geduldig aanhoort en dan zegt dat ze wel even zal kijken. Ze staat op, loopt rustig naar het raam en ziet op een kerkklok in de verte hoe laat het is. Dat vertelt ze hem vervolgens en dan gaat de show verder. Dit vond ik briljant, Monty Python niveau. (Trouwens, even terzijde: wat een prachtige tijd waarin alleen de VPRO al zowel Python als Schippers in het pakket had, naast de ‘gewonere’ maar even rake humor van Koot en Bie, en de serieuze maatschappelijke onderzoeksdocumentaires van o.a. Keller en Verhoeff. Wat een rijkdom, wat een levenslust!)

Jaren later nam Guikje me mee naar Wim Schippers. De jonge actrice/zangeres Guikje Roethof, met wie ik net een film gedraaid had en die ik adviseerde bij een zangsoloprogramma, speelde een hoofdrol in de openingsvoorstelling van het Holland Festival: Elly, of het beroemde stuk, van de hand van Wim Schippers. De andere hoofdrol was voor Wim T. zelf, zingend en pratend. Guikje vertelde dat ze daar best wat hulp konden gebruiken; de hele avondvullende show werd kennelijk in minder dan een week gerepeteerd en in elkaar gezet. Ik had uitgebreid geassisteerd bij diverse Nederlandse filmregisseurs, en dit leek een buitenkans om de unieke grappenmaker-kunstenaar van dichtbij mee te maken. Hemzelf kreeg ik echter weinig te zien. Ik had vooral te maken met zijn kompaan Gied Jaspars, die ook al medeverantwoordelijk was voor alle tv-shows en hier vooral organisatie deed. Op de achtergrond was de praktische organisatie in handen van Ellen Jens, de geliefde van Wim en vermoedelijk ook de inspiratie voor de Elly uit de titel. Het was niet zo duidelijk wat ik bij deze mega-onderneming in één lang weekend precies te doen zou hebben. Een toneelregisseur was er niet echt. Een doorlopend verhaal ook niet, maar wel een script, waarvan de kern bestond uit een serie liedjes die Wim net op de plaat gezet had, met behulp van componist Clous van Mechelen. En er waren figuranten: tientallen mensen stonden te wachten om bij een bepaald nummer.. tja, iets te doen. ‘Geef mij die figuranten maar’ zei ik, en toen stond ik met hen in een zaaltje mise en scènes te maken bij enkele zangnummers, zodat ze tenminste wisten wat ze te doen stond en wanneer, op dat enorme podium van Carré. Ik had weinig praktische theaterervaring, maar het was me duidelijk dat twee á drie dagen voor een complete voorstelling niet veel was. Wat Wim en Guikje en alle andere uitvoerenden intussen uitspookten wist ik niet en aan een complete doorloop of generale heb ik nauwelijks herinnering. We maakten een eenmalige voorstelling, maar wel voor een uitverkochte première-zaal en een live meekijkend tv-publiek. Uiteindelijk zag ik die show grotendeels vanuit de coulissen, vanwaar ik mijn figuranten in de gaten hield en bijstuurde. Er viel, zoals meestal bij Schippers, veel te lachen. Maar het mooiste moment voor mij kwam toen er een heuse arreslee getrokken door twee boerenpaarden door de artiestengang van Carré kwam aangereden en even later op het podium verscheen: alles moest kunnen in deze opzet. Dit leek me de methode Schippers/Jaspars: niet alles precies vastleggen, toeval en tegenslag mee laten regisseren, gaten op de koop toe nemen of zelfs verwelkomen. Na afloop herinner ik me vooral de algemene opluchting, omdat we het gehaald hadden. En toen ik de tv-registratie terugzag, was ik verwonderd dat veel van de merkwaardige puzzelstukjes toch op hun plaats bleken te vallen. Hoe het voor de betalende theaterbezoekers geweest moet zijn is een ander verhaal. Tijdens het matige slotapplaus stond in de zaal modeontwerper Frank Govers op en riep keihard: “het is een schande dat het Holland Festival op deze manier geopend wordt!” Hij was niet de enige met kritiek: op de zang, de hoofdrol, de algehele incoherentie en de pesterige onafheid van het geheel.

Ik denk dat het Schippers zelf compleet koud liet. Hij, van oorsprong beeldend kunstenaar, was er trots op dat hij zijn vorm van opzettelijke tegen-kunst kon exposeren in ‘de grootste galerie van Nederland’. Met vakmanschap had hij een ambivalente verhouding: hij bespotte het, maar vond zichzelf toch ook heel vakmatig bezig. In het filmtijdschrift Skoop zei hij eens over Woody Allen dat die ‘er met de pet naar gooit, maar wel raak gooit’. Voor de zorgvuldig werkende Allen klopt dat echt niet, maar de uitspraak leek me eigenlijk goed op Wim T. zelf van toepassing. Dit was heel anders dan hoe ik zelf werkte, maar op een rare manier leuk en verrassend. Misschien had ik die figuranten toch beter helemaal geen aanwijzingen kunnen geven, dacht ik achteraf.

Jaren later, toen ik zelf een satirische cabaretgroep had en in het theater optrad, kwam ik Wim eens tegen, vermoedelijk in het vermaarde acteurscafé De Smoeshaan. ‘Ja’, zei hij minzaam knikkend, ‘daar moet jij nu doorheen, dat moet je allemaal meemaken’. Altijd met dat jonge pretgezicht en die donkere ogen waarvan je nooit zeker wist of ze ernstig waren dan wel de hele boel bespotten. Allebei een beetje, denk ik nu. Zijn latere werk, zoals Op zoek naar Jolanda die de opzet nabootste van een heuse tv-serie, sprak me veel minder aan. Maar Wims uitspraak dat hij gewoon graag dingen wilde maken ‘waar niemand op zit te wachten’ is een inspiratie waar ik me nog steeds aan kan optrekken. Iets maken puur omdat je het zelf wil en je niks aantrekken van de reacties. Een hoge lat die de aartsbrutale kunstenaar mij heeft nagelaten.

———

Abdullah Ibrahim (r) gaat een liedje zingen

ABDULLAH IBRAHIM, die vroeger Dollar Brand heette, was een Zuid-Afrikaanse jazzpianist die al meer dan een halve eeuw geleden furore maakte met zijn kleine band van zwarte muzikanten, in een tijd dat in dat land volop de Apartheid heerste. Het werd voor hem reden om zijn toevlucht in New York en Europa te zoeken. Ik was weg van zijn duo opnames met saxofonist Archie Shepp en het concert live in Montreux van begin jaren tachtig, van zijn kwartet met de prachtige altsaxofonist Carlos Ward als tegenstem voor de piano. Eenvoudige melodieën op een stevig swingende basis, veel herhaling en lange solo’s die telkens terugvoeren naar de grondmelodie. Muziek voor een feestje, of misschien ook voor een begrafenis maar dan een waar ook het leven gevierd wordt. ‘The Wedding’ is zo’n nummer: langzaam, melancholiek, sacraal bijna, alsof een bruiloft vooral ook een moment is om eens even goed stil te staan bij die diepte en weemoed van het leven. Ik heb de melodie geleerd en het nummer een paar keer gespeeld op bruiloften van vrienden van me, solo of met begeleiding van het origineel, (waardoor ik naar waarheid kan zeggen dat ik met Abdullah Ibrahim en Carlos Ward gespeeld heb.) De song werkt altijd.

Ibrahim, Al voor vrienden, ontwikkelde zich daarna vooral als solopianist, een compleet concert improviserend aan de vleugel. Heel anders dan de technische virtuositeit van een Keith Jarrett, maar niet minder meeslepend. Hij ging zitten en speelde een dik uur achter elkaar, soms mijmerend dan weer uitbundig, muziek die meevloeide met zijn stemming en waarin je af en toe de volkse thema’s van de Montreux-band terug hoorde komen. En steeds met die enorme aangehouden concentratie zonder enige pauzes of stops. Ik zag en hoorde hem twee maal. De laatste keer, een paar jaar geleden, was bijzonder: Ibrahim speelde in de sobere witte kerk in Herrnhut, een plaatsje in voormalig Oost-Duitsland en de geboortegrond van de protestantse Hernhuttergemeenschap. Behalve door hun geloof zijn de Herrnhutters tegenwoordig vooral bekend vanwege de veelpuntige ster die zij in allerlei variaties fabriceren; met Kerstmis hangen die sterren in veel Duitse woningen voor het raam. Waarom kwam de internationaal vooraanstaande kunstenaar juist hier spelen en niet, om maar wat te noemen, in de Philharmonie in Berlijn? Het was zijn eigen uitdrukkelijke wens; de Herrnhutters waren tijdens het Apartheidsregime in Zuid-Afrika actief in de ondersteuning van de zwarte bevolking en dit was zijn manier om hen te bedanken. En zo zaten we vlak na de coronatijd ineens weer dicht naast elkaar, op de kale banken van de kale vierkante kerk van de evangelische broedergemeente, ademloos te luisteren naar de grote stille verteller aan de piano. Zijn muziek bleek wonderwel op zijn plek in deze ongebruikelijke omgeving. Ibrahim, intussen achter in de tachtig, had wat ondersteuning nodig bij het lopen naar het podium, eenmaal aan de toetsen was er van zwakte geen sprake meer, slechts van concentratie en muzikale wijsheid. Als toegift stond hij op, zong een oud Zuid-Afrikaans liedje en bedankte uitvoerig alle enthousiastelingen die hem het liefst hadden willen omhelzen.

———

Rust zacht, zeg je dan. En niet alleen omdat het hoort. Deze kunstenaars hebben hun rust compleet verdiend. Zo nemen we afscheid, nee, neem ik afscheid van mijn helden, voorbeelden en grootheden, in bewondering en weemoed. Daar gaan ze, een voor een. Met het knagende gevoel dat het er de laatste tijd wel erg veel zijn. De nuchtere verklaring staat hierboven, maar het gevoel wordt er niet door afgedekt. Het is niet zozeer verdriet, hoewel elke dood iets verdrietigs heeft; dit zijn voorbeelden van lange, rijke levens. Het is ook niet het gevoel van een persoonlijk verlies, want zo goed kende ik ze niet en deze kunstenaars leven volop door in hun werk en in mijn herinnering, zijn er juist door hun dood misschien wel sterker aanwezig dan daarvoor. Nee, het is het gevoel dat een heel tijdperk aan het aflopen is, dat een culturele wereld ten einde komt, de wereld waarin ik thuishoor en me altijd thuis heb gevoeld. Alsof de omhulling die je altijd maar half bewust met je hebt meegedragen ineens wegvalt. Ken je dat filmpje: Een hoge kantoortoren wordt opgeblazen en stort in, maar de centrale liftkoker blijft deels overeind staan, (die waren ze kennelijk vergeten). Het is het gevoel die liftkoker te zijn.

 

De Carré avond is terug te zien in de Schatkamer onder de titel ‘De dans der Vierkanten’. Het slotapplaus en – protest zit er niet bij.

The Wedding staat in verschillende uitvoeringen op YouTube.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *