
(9 dec 2025) Over kippenvel wordt al vaak gesproken. Groot cliché bij zangwedstrijden, bij wijze van compliment de arm naar voren steken en dan, hoofdschuddend: ‘kippenvel!’ Het toppunt van bewondering. Maar bij mijzelf komt eigenlijk een andere fysieke reactie op het beleven van iets prachtigs eerder en vaker voor. De adem stokt, misschien slaat zelfs m’n hart even over. Eventjes maar, niks langdurigs of ernstigs. Wat in deze reactie tot uiting komt is, denk ik, verbazing vermengd met (een gevoel van) puur geluk. Scherp te onderscheiden van de grote verbazing sec, waarbij de mond openvalt en open blijft. En zeker ook van het veelbesproken kippenvel. Laten we dit het ademstokmoment noemen.
Zulk gelukzalig ademstokken is me het afgelopen jaar een paar keer overkomen in de bioscoop. Want juist dit jaar verschenen achter elkaar een paar speelfilms die (gedeelten uit) de levens van enkele van mijn absolute culturele helden tot onderwerp hadden. Zo wekte Köln 75 pianist Keith Jarrett tot leven, weliswaar zwijgzaam en in zichzelf gekeerd, maar toch. A complete unknown toonde hoe een jonge Bob Dylan zich losmaakt van zijn oorspronkelijke folkfans door electrisch te gaan spelen. En in Deliver me from nowhere keken we mee over de schouder van Bruce Springsteen die zich met moeite optrekt uit een put van depressie. Wat is daar nou zo bijzonder aan? Er zijn toch ook zat docu’s over deze beroemde kunstenaars, het wemelt van de clips en korte interviews en andere informatiebrokjes over hen. En daar kijk ik dan ook graag naar, maar ze benemen me niet meteen de adem. Het is iets anders, denk ik: de sensatie om een stukje van hun leven, professioneel en ook privé, mee te beleven alsof je erbij bent en er middenin zit, met het idee dat het voor het eerst gebeurt. Natuurlijk bestaan er over diverse beroemdheden ook bio-pics; maar die zijn juist vaak vervelend omdat ze een heel leven willen vertellen, te beginnen met de jeugd (bluuuh) en zo misschien zelfs een verklaring van het latere succes (beeehhh) willen geven. De korte uitsnede uit het leven is pakkender en spannender, en geeft je juist in zijn beknoptheid alle tijd om dichtbij de hoofdpersoon te zijn en te blijven.
Oké, maar dat is nog steeds geen verklaring voor het ademstok-hartoverslag-moment. Het optreden daarvan moet er puur mee te maken hebben dat de geportretteerde figuur voor jou (mij) speciaal veel betekent, of beter nog: betekend heeft. Misschien komt dat AH-moment pas tevoorschijn omdat je via de geschiedenis van de oude held ineens ook verhevigd terugkijkt naar jezelf van x jaar geleden, en in één klap je eigen hang ups, idealen en je positie in de wereld van toen herbeleeft.
Ach, eigenlijk maakt het ook niet uit hoe het komt. Feit is dat mijn adem opvallend vaak (en gelukzalig) stokte tijdens de nieuwe film Nouvelle Vague. Die gaat over het maakproces van A bout de souffle, de wereldberoemd geworden debuutfilm uit 1960 van regisseur Jean-Luc Godard, die hem tot voorman bestempelde van de nieuwe golf van jonge Franse filmmakers. Gedraaid in stijlvol zwart-wit en in het ouderwetse beeldformaat, geheel in lijn met zijn beroemde voorbeeld, is dit niet eens een heel goede film, daarvoor is het verhaaltje te beperkt. Erg grappig is hij wel en voor iedereen die weet hoe films gemaakt worden een klein genot, omdat er zoveel maakplezier van afstraalt en zo’n grote maling aan de ‘regels’. Daarover zo direct meer. Maar mijn herhaalde ademstokken kwam vooral door de introductie van een hele rij reëele filmgrootheden, wier namen telkens groot in beeld worden gebracht. Daar zijn ze alle vijf, de vrienden/filmcritici die filmmakers werden, de grote namen van de Nouvelle Vague: naast hoofdpersoon Godard zien we Chabrol, Rivette, Rohmer en mijn persoonlijke favoriet tussen al deze favorieten, Truffaut. Van al deze filmers heb ik erg veel, zo niet alles gezien, herzie het af en toe, heb mooie herinneringen aan de kennismaking met hun werk – en hier zitten ze ineens als onervaren jongemannen met elkaar te kletsen en te roken, nog aan de voorkant van hun oeuvres! Sommigen hebben nauwelijks een rol in de film, maar hun pure lijfelijke aanwezigheid is (voor mij) al een sensatie. Natuurlijk spelen er ook goedgelijkende acteurs mee in de rollen van Jean-Paul Belmondo en Jean Seberg, maar het zijn juist de meestal onzichtbare mensen achter de camera die mij interesseren. Nog een hele serie grote namen maakt zijn opwachting: kunstenaar/filmer Jean Cocteau, de grote Jean-Pierre Melville met cowboyhoed, Agnès Varda, Suzanne Schifmann de vaste scriptschrijver en assistente van Truffaut die ik ooit op zijn set ontmoette, zangeres Juliette Gréco, producent Georges Beauregard, en nog vele anderen. Nog een pure sensatie is het om Raoul Coutard bezig te zien, de boomlange onverstoorbare cameraman, voormalig oorlogsfotograaf, verantwoordelijk voor een hele serie Godardfilms en ook actief bij een vroege Nederlandse speelfilm. En daar heb je Roberto Rossellini, vader van het Italiaanse neorealisme en grote inspirator van deze generatie: hij komt langs op hun kantoor en vraagt en passant of ze niet wat geld voor hem hebben. Absoluut ademstok-hoogtepunt is een toevallige ontmoeting van Godard met Robert Bresson, die in een nabijgelegen metrostation bezig blijkt met de opnames van zijn prachtfilm Pickpocket. Bresson, over wie ik tientallen jaren later zelf een film maakte, is hier een man op het hoogtepunt van zijn carrière, bewonderd door de jonge generatie. Dit is een film waarbij met name filmliefhebbers hun hart kunnen ophalen.
Bij de Dylanfilm dacht ik: ik wou dat ik erbij was geweest, dat ik daar leefde in die onverwarmde woningen in het Manhattan van begin sixties. En zo verging het me nu weer met het jonge Parijs uit dezelfde tijd: de mannen in hun nette colbertjes, de vrouwen in hun cocktailjurken, de energie van het nieuwe in de lucht. Wat een spannende tijd moet het geweest zijn – beam me up, Bob, Jean-Luc, François! Als aanvulling wens ik me dan nog een verhaal over de grote Italiaanse filmers van omstreeks 1960, Antonioni, Fellini en Visconti, bezig met hun meesterwerken in zwart-wit met al die prachtige mensen in hun prachtige kleding en hun ernstige gezichten. Of moet ik daar zelf maar eens iets over schrijven? Beam me up, Marcello!
Maar ik zou Nouvelle Vague tekort doen door hem uitsluitend te nemen als canvas voor persoonlijke nostalgie. Als het ademstokken weer voorbij is, blijft een voortdurende, vrolijke verbazing. De film straalt maakplezier uit: niets lijkt simpeler dan het maken van een film. Gewoon beginnen, met slechts een hoop lef en een royaal voorbijgaan aan filmfondsen, commissies en andere struikelblokken. (Vergeet alles wat je op de filmacademie leert.) En in de wetenschap dat juist zijn debuutfilm onsterfelijk is geworden, biedt het portret van regisseur Godard een paar opmerkelijke leermomenten.
1) Geen voorbereiding. Terwijl er toch echt een script was (van Truffaut) doet deze regisseur alsof er nauwelijks iets op papier staat, bedenkt ’s ochtends nieuwe scènes en schrijft a la minute zijn invallen op papiertjes die dan gefilmd worden.
2) Geen direct geluid opnemen. Alle dialoog wordt pas achteraf ingesproken, als de film al gemonteerd is. Bij de opnames kunnen andere, willekeurige zinnen gezegd worden, en ook kan de regisseur er doorheen praten (dat doet hij graag) en spontane aanwijzingen geven.
3) Geen enkel respect voor draaischema’s en budget. Als de regisseur geen zin meer heeft, of geen inspiratie, stopt hij er na een paar uur mee en gaat naar huis. Einde draaidag.
4) Geen grote interesse voor anderen. De Godard uit deze film is een totaal op zichzelf – en op films en boeken – gerichte man die nauwelijks moeite neemt om anderen te inspireren of zelfs maar vriendelijk te zijn. En daar toch grootse resultaten mee boekt. De enige interessante relatie is zijn vriendschap met Truffaut, die ook werkelijk bestond, maar hier jammer genoeg niet wordt uitgewerkt. Tien jaar later zou Godard zijn grote vriend keihard aanvallen, waarop Truffaut het mooi geweest vond en hard terugsloeg. Misschien ook een goed filmonderwerp?
Bij elkaar opgeteld lieten deze punten bij mij het vermoeden rijzen dat Nouvelle Vague als waarheidsgetrouwe afbeelding gewoon niet kán kloppen. Het is vrijwel onvoorstelbaar dat deze man, deze Godard die zich letterlijk als een verschrikkelijk kind gedraagt, in staat zou zijn om jarenlang twee a drie speelfilms per jaar te produceren, waaronder vele die nog steeds erg sterk en bijzonder zijn. En grappig en soms zelfs warm. Maar dat heeft hij wèl. Iets moet er toch totaal gevonkt hebben rond de enigmatische, intellectuele filmmaker. Over zijn persoonlijkheid werd trouwens al eerder een speelfilm gemaakt: Godard mon amour (2017), die speelt rond zijn tweede huwelijk en zijn overstap op uitgesproken politieke films. De oorspronkelijke titel dekt de lading beter: Le redoutable, ofwel De geduchte. Welke filmmaker kan zich er kort na zijn dood – Godard stierf in 2022 – op beroemen de hoofdpersoon te zijn van twee zeer verschillende dramafilms? Het illustreert de uitzonderlijke status van de ‘denker’ van de Nouvelle Vague. En wat mij betreft kan er best nog eentje bij, bijvoorbeeld over die breuk met boezemvriend Truffaut. Ik zal er in elk geval naar gaan kijken in blijde afwachting van een volgend ademstokmoment.

