(2 dec 2025) In een interessant recent essay beschrijft journalist Olaf Tempelman zijn concrete ervaringen met het uithollen van een democratie. Het gebeurde in het Roemenië van de jaren negentig, een kersverse democratie pal na de val van dictator Ceaucescu. De oorzaak was eigenlijk simpel: de heersende (democratische) fatsoensregels in de politiek werden door een aantal nieuwkomers ruw opzij geschoven. Zij scholden hun tegenstanders uit, maakten hen zwart, beledigden en vertelden regelrechte leugens. De consensus dat zoiets not done is, omdat er in een ware democratie respect voor de gelijkheid en gelijkwaardigheid van allen hoort te zijn, werd met voeten getreden. Het mocht dus eigenlijk niet, maar ze deden het lekker toch. En vervolgens stond de andere kant, die van de ‘nette’ democraten, eigenlijk met de mond vol tanden. Ze hadden geen goed verweer tegen de straatvechters-methoden: als ze netjes wilden blijven werden ze met grove woorden aan de kant geveegd en ordinair terugvechten ging hen ook slecht af, omdat ze zelf niet in die methode geloofden en haar als goede democraten eigenlijk verwierpen. De vrije democratie kon zich niet goed verdedigen.
Dit mechanisme, dat Tempelmans historische voorbeeld zo duidelijk laat zien, geldt evengoed in onze eigen tijd en onze westerse landen. We kunnen denken aan hoe Trump in de Verenigde Staten te werk is gegaan en er de macht heeft kunnen grijpen. De slogan van Michelle Obama – ‘when they go low, we go high’, ofwel: wij gaan niet meedoen aan alle vuilspuiterij – is weliswaar prachtig om te horen, maar blijkt in de praktijk niet te werken. De brutalen, de partij die zich opzettelijk niet aan de regels wenst te houden, wint het pleit vooral omdat ze heldere (onbeschofte) taal kan spreken, terwijl de andere kant niet terug kan gaan beledigen maar met democratisch (namelijk: respectvol) meel in mond moet spreken. ‘Onfatsoen zet fatsoen buiten spel’, vat Tempelman samen. Kan de open democratie zich dan helemaal niet verdedigen? Jawel, maar alleen tegen een hoge prijs die ze meestal niet bereid is te betalen.
Dit is geen uitzonderlijke situatie of iets marginaals, dit verschijnsel is inherent aan de democratie zelf. Het is de noodlottige zwakte in haar kern: daar blijft namelijk altijd ruimte voor het recht van de sterkste (of rijkste, of luidste, of alledrie) en die partij kan dankzij de vrije meningsuiting langdurig zijn gang gaan voordat hij, eventueel, via de wet en de rechter wordt ingetoomd. Iedereen die gewend is aan Nederlandse vergaderingen zal het verschijnsel kennen. Hetzelfde geldt eigenlijk ook voor het gebruik van geweld in zo’n open democratie: het wordt weliswaar door het strafrecht aan banden gelegd, maar dat gebeurt pas achteraf, áls het gebeurd is. Tot die tijd kunnen degenen die dat willen, opgehitst door onfatsoenlijke woorden, op en over de rand van de ‘onfatsoenlijke daden’ lopen. Ze kunnen daarmee niet alleen concrete schade aanrichten, maar vooral ook angst zaaien en daarmee macht naar zich toe trekken. Zie de uit de hand gelopen protestacties van boze Nederlandse boeren waarbij de politie passief toekeek, als slechts één voorbeeld uit vele.
Als reactie op zo’n overschrijding van de regels volgt doorgaans veel verbale verontwaardiging, die in de praktijk weinig betekent – plus, bij gewelddadigheid, de roep om een strengere aanpak, hogere straffen. Maar het blijft symptoombestrijding; het probleem van het ‘vrije gat’ midden in de open maatschappij laat zich niet werkelijk oplossen. Want het is de vrijheid zelf die de problemen veroorzaakt.
**
Al in de jaren ’60 van de vorige eeuw werd ingezien dat de westerse vrije democratie uit zichzelf dit grote probleem kent. Zo’n staat heeft namelijk een gedeelde grondovertuiging nodig, maar kan deze niet langer uit het Christendom putten. Aldus het uitgangspunt van de Duitse rechtsfilosoof en latere grondwetsrechter Ernst-Wolfgang Böckenförde (1930-2019), die formuleerde wat bekend geworden is als het ‘Böckenförde-dilemma’: ‘de vrije seculiere staat berust op aannames die zij zelf niet kan garanderen’. Waarmee hij bedoelde dat zo’n staat, i.c. zo’n vrije democratie, slechts kan bestaan dankzij een zekere homogeniteit onder zijn bevolking (bedoeld wordt een homogeniteit van opvattingen) – terwijl die homogeniteit niet kan worden afgedwongen, omdat dan de vrijheid weer verloren gaat.
Het is een wat chique formulering voor wat sindsdien inderdaad het grote probleem van de pluralistische en multiculturele democratie is gebleken: het gebrek aan eenheid, inhoudelijke eenheid. Volgens Böckenförde is er in zo’n staat op z’n minst een ‘verbindend ethos’ nodig, een vorm van gemeenschapszin. Die roep wordt in onze eeuw op alle mogelijke manieren herhaald, met vooralsnog niet al te veel resultaat. Individualisering en versplintering zetten door en van de gemeenschapskant komt weinig tegenwicht. In de moderne, seculiere westerse staat die vrijheid voorop in het vaandel draagt, is het juist de vrijheid die ons opbreekt. Want vrijheid is een middelpuntvliedende kracht en daardoor bedreigt de vrije democratie steeds ook zichzelf.
Als tegenwicht zou eigenlijk een modern en seculier ‘geloof’ nodig zijn, dat voor verbinding kan zorgen. Zodat we niet terug hoeven vallen op strenge vormen van autocratie, en ook niet op de ‘veilige’ oude waarden van het christelijke geloof of andere religies. In vorige afleveringen heb ik een aanzet gegeven voor zo’n seculier geloof. Zo is het niet genoeg om te stellen dat ‘de democratie’ bedreigd wordt. De vraag is eigenlijk: ‘wat voor democratie dan?’ Ik beantwoorde hem door vier kernwaarden naar voren te halen: vrijheid, gelijkheid, tolerantie en geweldloosheid. Vier centrale pijlers die als een hechte onderbouw de open democratie mogelijk maken. Het is ook niet genoeg om zich alleen druk te maken over de populairste pijler – vrijheid – en uitsluitend te denken aan een bedreiging door autocratische machten van buitenaf die het liefst alle vrijheid aan banden willen leggen. De andere drie genoemde waarden horen steeds gelijke tred te houden met die van de vrijheid. Als zij verwaarloosd worden en hun pijlers wegzakken, komt het erop rustende platform (van de democratie) angstwekkend scheef te staan en zal op den duur breken en vallen. Dit is wat er in de over-vrije democratie van ons land gebeurd is en nog steeds gebeurt. Het ideaal van gelijkheid verdwijnt achter de horizon, tolerantie en geweldloosheid volgen. En deze ondermijning komt van binnenuit.
Een vrije en open democratie heeft een stevige consensus nodig over wat nog wel en wat niet meer done is, te beginnen met het afzweren van geweld. Een seculier geloof in de vier pijlers zoals hierboven geschetst, kan het antwoord zijn op Böckenförde’s lastige dilemma. Niet als opgelegde etiquetteregels uit een duf (wet)boekje, maar als vanzelfsprekende regels van het democratische systeem zelf, dat gelijkheid van en respect voor anderen vereist. Voor alle anderen. Maar zelfs zo’n viervoudig onderbouwde staat kan zijn eigen grondaannames niet garanderen. (En zelfs een orthodox christelijk bestuurde staat kan zo’n garantie niet geven: ook bij een afgedwongen consensus bestaat nog altijd het risico op scheuring. Zie alle scheuring binnen de christelijke kerk zelf en alle bloedige oorlogen die er onderling zijn uitgevochten. Zodra mensen ook maar een beetje vrij zijn, ontstaan afwijking en meningsverschil). De vrije, seculiere staat moet erop hopen dat zijn grondaannames zo aantrekkelijk zijn dat ze overgenomen en gedeeld zullen worden door de burgers. Maar de staat kan daar wel iets aan doen, en er heel actief voor opkomen. Ik denk overigens niet dat dit een eenvoudige opgave is; daarover volgende keer meer.
Voorlopig is het belangrijk dit paradoxale gegeven onder ogen te zien: het veelbezongen principe van individuele vrijheid is niet alleen de belangrijkste pijler van elke democratie, maar ook de eerste ondermijnende kracht erbinnen.