
(13 mrt 2026) Letterlijk zei Wim Wenders, voorzitter van de jury op het Berlijnse filmfestival, dit: ‘We moeten wegblijven van politiek. Want als we openlijk politieke films maken betreden we het terrein van de politiek – maar wij zijn juist het tegenwicht tegen politiek, het tegendeel ervan. We doen het werk van mensen, niet van politici”. Het was op de persconferentie bij de start van het festival, toen een journalist vroeg naar de rol van het festival ten opzichte van de oorlog in Gaza. In zijn vraag speelde mee dat het filmfestival zich bij eerdere gelegenheden wel solidair verklaarde met de bevolking van Iran en Oekraïne, echter niet met de Palestijnen. En dat de belangrijkste festivalfinancier, de Duitse staat, geen afstand genomen heeft van de Israelische vernietigingsoorlog in Gaza. Eigenlijk een vraag om voor te leggen aan de directeur van het festival en niet aan de juryvoorzitter, maar Wenders koos ervoor hem te beantwoorden, en niet als official maar als filmmaker. Hij zei ook dat films de wereld misschien kunnen veranderen, echter niet op een politieke maar op een menselijke manier, door mensen te tonen hoe ze kunnen leven. Omdat films het moeten hebben van empathie, in contrast met de ongevoelige houding van politiek.
Geen onzinnige teksten, van een filmer die zijn sporen ruimschoots verdiend heeft. Maar zoals wel vaker gebeurt werd er één zin uitgelicht en de wereld ingepompt: ‘films moeten zich niet met politiek bemoeien’. En een schandaal werd geboren. Ook ik keek nogal op van de posts die de korte Wenderszin verspreidden. Meende hij dit? Het is overduidelijk dat films, zowel docu’s als speelfilms, zich geregeld met uitgesproken politieke thema’s bezighouden en daarin regelmatig erg sterk zijn. Dat wist de uitgesproken filmkenner en -liefhebber Wenders toch ook wel? Was deze vriendelijke, solidaire, verantwoordelijke en bedachtzame filmer op z’n 80ste ineens tot provocateur geworden?
Bedoeld of onbedoeld, de non-politieke zin werd tot steen in een vijver waar de rimpelingen zich zouden uitbreiden tot ware golven. Als eerste trok de Indiase schrijfster Roy haar gastoptreden aan het festival in, meerdere kunstenaars uitten verontwaardiging. Na enkele dagen van onrust zag Berlinale-directeur Tricia Tuttle zich genoodzaakt een verklaring uit te geven waarin ze zich pal achter haar jury en zijn voorzitter stelde. Ze wees erop dat kunstenaars vrij zijn om zich te uiten, maar tegenwoordig erg snel bekritiseerd worden; als ze antwoorden, of niet antwoorden, of als ze ‘complexe gedachten niet tot een korte soundbite samenvatten, zodra men hen een microfoon voorhoudt’.
Maar de storm wilde niet gaan liggen. In vaktijdschrift Variety verscheen een openbare brief van zo’n tachtig internationale filmmakers en -acteurs die de houding van zowel Wenders als het festival hevig kritiseerden. Want film en politiek waren ‘niet te scheiden’, solidariteit met de Palestijnse bevolking was een ‘morele plicht’ en daarnaast kreeg de Berlinale ook het verwijt censuur toe te passen op Israëlkritische stemmen. Bekende ondertekenaars waren acteurs Tilda Swinton en Javier Bardem, naast regisseurs Adam McKay en Mike Leigh. Dit haalde natuurlijk alle media waarmee de golven zich uitbreidden en niet zoals gehoopt vanzelf gingen liggen na een paar dagen films kijken. In deze omstandigheden voelde de Duitse cultuurminister Wolfram Weimer, even te gast op het festival, zich geroepen om steun te betuigen aan directeur Tuttle; hij noemde haar leiding ‘bezonnen’ en wees het verwijt van censuur scherp af.
Het tegengas was ook wel nodig, want na een week Berlinale werd er nog steeds erg weinig gepraat en geschreven over de daar vertoonde films, en des te meer over de politieke loopgraven. Vanuit de gewraakte openingsopmerking was een in alle opzichten bizarre situatie ontstaan. Bedenk wel: Berlijn is niet zomaar een festivalletje, het geldt al sinds decennia als een der grote drie Europese filmfestivals. Cannes en Venetië, beiden rond de zomer, zijn de belangrijkste en meest glamoureuze, maar daarna komt traditioneel Berlijn, dat in de winter de nieuwste films kan presenteren. Even traditioneel is de impliciet politieke lading van juist dit festival; het ontwikkelde zich in het door een Muur verdeelde Berlijn en werd vanuit die locatie een brug naar de cinema van Oost-Europa en Rusland. Politiek deed en doet juist op de Berlinale altijd mee. Zo kon ik lang geleden als filmcriticus op het festival een mooie vergelijking maken tussen depressieve Westduitse films en het optimisme-ondanks-alles uit de DDR (Solo Sunny), Hongarije en de SovjetUnie. Politiek teruggebracht naar menselijke omstandigheden, eigenlijk precies waar Wenders over sprak.
Maar alle pogingen om de zaak tot rust te brengen konden het beeld van een schandaal-Berlinale niet meer veranderen. En passant mengde zanger Nick Cave zich nog in de openbare discussie, met een mooi, rustig stuk ter ondersteuning van zijn oude vriend Wenders. Cave had net in Australië meebeleefd hoe een (literair) festival ten onder was gegaan aan de eisen van politieke (lees: pro-Palestina) activisten en vermoedde dat Wenders het filmfestival had willen behoeden voor zulke extreme polarisatie en ‘vernauwing van de culturele verbeeldingsruimte’. Het mocht niet baten. Zelfs het Duitse cultuurprogramma Titel, Thesen, Temperamenten dat altijd een hele uitzending inruimt voor een overzichtsverslag van de Berlinale hield het dit keer bij een item over .. het schandaal.
Voor de vertoonde films was weinig aandacht, en wie de titel kent van de Gouden Beer-winnaar van dit jaar mag het zeggen. Veel prijswinnaars waren overigens menselijk-politieke films. Het ‘schandaal’ kreeg intussen een duidelijk vervolg bij de prijsuitreiking. Als beste debuutfilm werd Chronicles from the Siege van de Syrisch/Palestijnse regisseur Abdallah Alkhatib bekroond. Met een palestijnensjawl om de schouder en naast zich een medewerker met Palestijnse vlag, las Alkhatib als dankwoord een verklaring voor waarin hij de Duitse staat direct beschuldigde van medewerking aan genocide. Met als toevoeging: ‘we zullen niet vergeten wie achter ons stonden, we zullen ook iedereen herinneren die tegen ons was’. Een soort dreigement vanaf de bühne, dat niet goed viel bij de enig aanwezige staatsminister (van milieu) die spontaan opstond en wegliep. Weer een eclat. Toen kort daarna een foto opdook van directrice Tuttle temidden van de Palestijnse filmcrew met palestijnensjawls (zij droeg er geen) trad opnieuw cultuurminister Weimer naar voren, alleen ditmaal op een heel andere toon. Hij liet uitlekken dat hij Tuttle op het matje ging roepen, mogelijk zelfs op haar ontslag aandringen.
(Bedenk hierbij steeds: noch de kefiyah, noch de Palestijnse vlag zijn in Duitsland verboden, evenmin als vrije meningsuiting. Maar de Duitse staat ageert vanwege het eigen verleden nog steeds met uiterste omzichtigheid zodra het om Israel gaat en kritiek op Israëlische politiek wordt erg snel opgevat als antisemitisme, al begint dat nu wat te veranderen. Duitsland heeft zijn (terechte) historische schuldbewustzijn tot een harnas gemaakt dat geregeld het zicht op de realiteit wegneemt.)
Nu was de boot goed aan. Hier dreigde staatsingrijpen in de kunst ! – nog los van de vraag of de minister überhaupt tot zoiets bevoegd was. Er volgde een onmiddellijke reactie uit het veld: de Duitse Filmacademie stelde zich met een openbare statement pal achter de vrijheid van de kunst. Ze werd ondertekend door diverse groten uit de Duitse film, waaronder Wenders en Volker Schlöndorff. Er volgden internationale adhesiebetuigingen voor de bedreigde Berlinaledirectrice adhesie van honderden filmmakers en -medewerkers, onder wie ook.. Tilda Swinton. Nu ging het niet meer over Wenders of de Berlinale, nu stond de vrijheid van de kunst zelf op het spel. Dat die vrijheid ook inhoudt dat (film)kunst en (film)kunstenaars ervoor kunnen kiezen om zich niét expliciet over politieke issues uit te spreken – een kniesoor die dat nog opmerkte. De staat die met ingrijpen dreigt, daarmee was een gezamenlijke vijand opgestaan waartegenover de kunstrijen gesloten konden worden. En het concrete gevolg van alle protest was dat Tuttle haar positie kon behouden.
In zekere zin mocht de filmwereld de minister wel dankbaar zijn, omdat hij als bliksemafleider had gefungeerd voor een conflict dat de (film)kunst zelf splijt: moet kunst openlijk politiek zijn, moet kunst überhaupt iets, of is zij werkelijk vrij en verdragen we die vrijheid ook? Ondanks mijn aanvankelijke verbazing heb ik zelf begrip voor het Wenders/Cave-standpunt, en houd intussen veel van films die openlijk of impliciet politiek stellingnemen. Wenders’ jury gaf zijn hoofdprijs trouwens aan de vrij politieke Duitse/Turkse film Gelbe Briefe. ‘Bedenk, we staan achter jullie’ zei de juryvoorzitter nog bij de uitreiking. Misschien vertelt hij nog eens hoe hij zelf heeft aangekeken tegen alle opschudding die hij met één zin had ontketend.
Opschudding die daarna in één klap werd weggespoeld door een volgende oorlog ontketend door de grote losbol, wat ons eraan herinnerde dat films uiteindelijk toch slechts de rol van toeschouwer spelen.

