
(30 dec. 2025) (In de nieuwe serie: Citaten om op te kauwen)
“Een kunstenaar, mits onzelfzuchtig en hartstochtelijk, is altijd een levende vorm van protest. Alleen al zijn mond openen betekent protesteren: tegen conformisme, tegen alles wat officieel is, openbaar of nationaal, tegen dat waar iedereen zich behaaglijk bij voelt. Dus zodra hij zijn mond opendoet is een kunstenaar al partijdig, want je mond opendoen is altijd al een schandaal.”
Aldus de Italiaanse filmer, schrijver en dichter Pier Paolo Pasolini (1922 -1975), wiens filmische oeuvre stamt uit de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw en abrupt werd afgekapt door zijn gewelddadige dood op het strand van Ostia. Pasolini zelf voldeed totaal aan bovenstaande beschrijving: hij was een openlijke homo in een tijd dat dit in Italië nog wettelijk verboden was, actieve sympathisant van het communisme en regelmatige publieke provocateur in uitspraken en geschriften. Als een der weinigen nam hij, tijdens de politieke rellen van eind jaren zestig, afstand van de studentenbeweging die de straat opging voor medezeggenschap en daarbij geweld niet schuwde; Pasolini zag er een nieuwe vorm van klassenstrijd in, maar zijn sympathie ging uit naar de laaggeschoolde jongens van de ordepolitie, die de opdracht hadden om de verwende kinderen uit de hogere klassen in toom te houden.* Intussen moet niet vergeten worden dat hij in vijftien jaar een groots filmoeuvre opbouwde van meestal snel gedraaide films, in een geheel eigen visueel-poëtische stijl waarin het gesproken woord steeds minder belangrijk werd. Bij een terugblik op de glorieuze dagen van de Italiaanse art-cinema verdwijnt Pasolini’s naam vaak achter die van zijn grote tijdsgenoten Fellini, Antonioni en Visconti – onterecht. Hij maakte films die nog steeds aanspreken en weinig verouderd zijn.
Maar had hij gelijk met zijn uitspraak? Is kunst altijd al een opstandig protest?
Mijn eerste reactie: ik wou dat het waar was. Het is zeker het perspectief dat ik zelf op kunst had, en heb. Het is de kijk die mij geïnspireerd heeft, bij het proeven aan alle verschillende vormen van kunst. Maar klopt het ook? Klopt het althans voor film, de vorm die ik het beste ken?
Film kan zeker kunst zijn, maar moet uit zichzelf eerder ‘toegepaste kunst’ genoemd moet worden: een hybride tussen entertainment en de strikt persoonlijke uitdrukking zoals die in beeldende kunst gebruikelijk is. Film is vaak helemaal niet opstandig of non-conformistisch, zeker niet in onze tijd waar de kosten van een gemiddelde speelfilm zo hoog zijn geworden dat men risico’s zoveel mogelijk vermijdt en originele, afwijkende scripts terzijde legt. Een compleet origineel en erg nonconformistisch werk als Sirat is uitzonderlijk geworden. Maar filmkunst (Bresson, Tarkovsky, Van Warmerdam) heef het traditioneel altijd al moeilijk gehad in de commerciële omgeving van de cinema. Een protest? Mwaah.
Een andere kunst dan: jazzmuziek. Jazz is in mijn ogen en oren precies de soort kunst zoals Pasolini die beschreef: kritisch en opstandig, niet alleen binnen de muziek zelf, maar ook wijder, naar de wereld toe. ‘Jazz was born from struggle and from a relentless insistence on freedom’ schrijven de muzikanten van The Cookers, ter verklaring van het afzeggen van hun oudejaarsconcert in het Kennedy Center in Washington DC, waar de zittende president plompverloren zijn eigen naam aan heeft toegevoegd. Maar er is jazz in vele soorten en maten. Ik schreef hier al eens met verbazing over de koers van de Dresdense Jazztage, waar ik als vrijwilliger meehelp en waar de jazz zich heeft vermengd met rechtsconservatieve politieke standpunten. Kan dat eigenlijk wel, is dat geen contradictie? Kennelijk niet.
En er is nog een ander mechanisme dat de protestfunctie van kunst tegenwerkt. Opstandigheid en non-conformisme in kunst hebben de neiging om met de jaren te verdwijnen en tot de nieuwe regel te worden: Strawinsky’s ooit ‘schandalige’ Sacre du Printemps werd tot hoeksteen van de moderne muziek; eens brutale, ongehoorde schilderstijlen als impressionisme en kubisme zijn decennia later pijlers van de canon geworden, net als Bunuels ongehoord eigenzinnige film Un chien Andalou (1928). Zo wordt kunst op den duur alleszins officieel, nationaal ook (van Gogh!) en zelfs behaaglijk voor de massa.
Zo opgesomd lijkt protestkunst eerder de uitzondering, afstekend tegen een breed veld van behoudende, conformistische kunst die niet of nauwelijks opstandig is en dat ook helemaal niet wil zijn. Veilige kunst. Exit Pasolini?
Maar op een dieper gelegen niveau heeft de Italiaanse filmer/denker wel degelijk een punt. Kunst, alle kunst, is een alternatief. Het is iets dat zich altijd al onderscheidt van de dagelijkse werkelijkheid. En in die zin is het ook een protest tegen het bestaande, tegen de status quo. Kunst belichaamt een vorm van kritiek, openlijk of meer impliciet. Het presenteert een (stukje) alternatieve wereld, waar de zaken beter, mooier, scherper of juist lelijker voorgesteld worden dan ze in de reëele wereld zijn. Luister naar de leraar die zijn schoolklas bij een museumbezoek voorhield dat kunst altijd een protest inhoudt. Staand voor een stilleven van een schaal appels van Cézanne vroeg een leerling hem pesterig: waar is dat nou een protest tegen? Hij zei: ‘Tegen slordig denken’.
In die zin is kunst, echte kunst, wel degelijk links en progressief, eenvoudig omdat ze zich niet tevreden toont met de wereld zoals die is. Ze kan die wereld direct aanklagen, haar tonen in al haar zwaarte (tragedie) of in haar belachelijkheid (komedie) – ze kan haar ook gewoon verfraaien om haar draaglijker te maken. Zo kan zelfs het conformisme van de zoveelste Beethoven-symfonie of Mozart-opera gezien worden als een subtiel protest: een poging tot her-ordening en verfraaiing van het bestaan. Ja, maar wacht even voor het te fraai wordt. Er bestaat toch ook puur conformistische, totaal officiële kunst – zie de films uit het nazitijdperk, of de sociaalrealistische schilderkunst uit de Sowjetunie en China. Alleen noemen we het dan meestal geen kunst meer, maar propaganda: de officiële, ‘nationale’ waarheid wordt tot verhaal gemaakt. Zeker is veel kunst of toegepaste kunst in die zin compleet aangepast en zo opstandig als een raamkozijn. Maar vergeet niet dat Pasolini aan zijn kunstenaar ook een belangrijke voorwaarde stelde: van onzelfzuchtigheid en hartstocht. Als de kunstenaar vooral aan het geld denkt zet hij/zij zichzelf op een zijspoor.
Ik denk dat Pasolini in wezen gelijk had en dat protest of opstand een van de belangrijkste functies is van kunst, of dat protest nu expliciet is of meer indirect. Het geeft meteen aan waarom ze een wezenlijk gevaar kan zijn voor machthebbers: kunst toont dat er iets anders mogelijk is en laat daarmee zien dat er in het denken en de fantasie altijd vrijheid bestaat. Ze is er de belichaming van. Dat maakt het pure bestaan van levende kunst gevaarlijk voor die machthebbers die de vrijheid van anderen het liefst aan banden leggen. Vandaar dat ze ingrijpen in de kunstvrijheid, zoals we op het ogenblik in veel landen zien gebeuren. Maar ook in het toch nog enigszins verlichte Nederland wordt nu bij een volgende televisie-bezuinigingsronde ten eerste geschrapt in de kunst- of aan kunst verwante programma’s. Een heel slecht teken. Hoed je voor machthebbers die het op de kunst(enaars) voorzien hebben: daar staat de (denk)vrijheid op het spel. Het geeft intussen ook aan hoe bang ze ervoor zijn en hoe belangrijk kunst dus eigenlijk is.
Zoals pakkend wordt samengevat in de woorden van een andere eigentijdse kunstenaar, de Duitse schilder Gerhard Richter: Kunst is de hoogste vorm van hoop.
Ik wens mijn lezers een goed en hoopvol 2026!

