Hommage aan een theatertovenaar

geplaatst in: Cultuur, de jaren '70, Taal, Theater | 0

(9 sept. 2025)  Een bordkartonnen stoomtrein verplaatst zich oneindig traag van rechts naar links over het toneel. Aan een dunne draad beweegt een miniatuurraket zich in de andere richting. Ook is er een vreemde toren met daarin een jongetje, en er komen nog andere figuren langs, ritmisch lopend en bewegend. Alles begeleid door een hypnotisch herhalende muziek, waarop soms tekst gezongen wordt – One two three four, one two three four, one two three four five six seven eight – dan weer losse onverbonden zinnen gesproken worden – Will I get some wind for the sailboat?

Met open mond keek ik naar de eerste tableaus van de moderne opera Einstein on the Beach, van theatermaker Robert ‘Bob’ Wilson en componist Philip Glass. Het was in de warme zomer van 1976, op het theaterfestival van Avignon, bij de wereldpremière. Ik was net afgestudeerd aan de Filmacademie, had al erg veel film en het nodige theater gezien, maar dit was voor mij compleet nieuw en ongehoord. Lange, langzame scènes afgewisseld met korte Kneeplays en gedanste stukken, steeds verbonden door die bedwelmende muziek, maar zónder een verhaallijn, zonder dialoogscènes zoals je ze kent uit toneelstukken, en al helemaal zonder dramatische aria’s die de gewone opera voor mij zo onverteerbaar maakten. Het koor dat ook danste bestond uit een bijzondere mix van dikkerds en dunnerds, mannen met baarden, wit en donker door elkaar, het was divers lang voor zijn tijd. Ze waren alle gestoken in grijze pantalons met bretels en witte overhemden – ouderwetse werkkleding die wij als posthippies natuurlijk nooit droegen, maar die er aanstekelijk uitzag. Het geheel leek een verzameling losse theatrale associaties rond het thema van Einstein als grondlegger voor de atoombom en de moderne tijd, inclusief een soort rechtszaak. Niet verhalend, maar zoals in een droom, waar de rechtbank in een gevangenis kan veranderen en omgekeerd. Alles prachtig vormgegeven. Het had iets compleet bevrijdends: hier mocht veel en was alles mogelijk. Met open mond keek ik, geschoold in het verhalend vertellen van speelfilms, naar deze beeldende grabbelton die toch strak bij elkaar hoorde, dit sciencefiction theater. Ik weet nog dat ik dacht: ‘Dat dit bestaat, dat dit gemaakt wordt!’ Ik was compleet verkocht.

Nu is de theatermaker gestorven, alweer ruim een maand geleden, na een grootse, wereldomspannende theatercarrière. Hij werd verhoudingsgewijs maar matig herdacht. Ik ga hem een hommage brengen, want hij (samen met Glass) heeft destijds mijn ogen geopend voor een wereld die ik niet voor mogelijk had gehouden.

We waren geglipt, ook nog. In Avignon trok ik een paar dagen op met een kennis van m’n middelbare school, Edith, die acteerambitie had. Ik kende Wilson noch Glass van naam, maar de beschrijving van ‘theaterbeelden met herhalende muziek’ leek me wel wat. Natuurlijk hadden we geen kaartje, die waren veel te duur en het was ook uitverkocht. Kennelijk heb ik me bij de kassa voorgedaan als opgewonden New Yorker die op een wachtlijst zei te staan, maar mijn praatjesmakerij leverde niets op. Tot Edith een zijdeur zag openstaan: die leidde naar de wc’s – ze zullen hem vanwege de hitte opengezet hebben. We glipten binnen en ineens belandden we achterin de stikdonkere zaal waar de voorstelling (trein!) volop begonnen was. Ik had maar één gedachte: hoe vinden we zo snel mogelijk lege stoelen, voordat iemand ons komt controleren? Tastend liep ik in het gangpad naar voren en deed een grootse ontdekking: aan de zijkant van de stoelenrijen zat iets los… klapstoeltjes! Die hadden ze daar speciaal gemaakt voor binnenglippende studenten, een schitterend idee. Razendsnel, m’n hart bonzend in m’n keel, klapte ik zo’n stoeltje open, achter me deed Edith hetzelfde. We waren binnen, we zaten! Volgde viereneenhalf uur ongekend droomtheater, uitmondend in een visioen van mensen werkend in een soort ultramoderne fabriek met knipperende lampjes (geïnspireerd op Metropolis van Fritz Lang). Het moet de mooiste glip van m’n leven zijn geweest.

Ik ben Wilson daarna blijven volgen: Einstein nog eens in Carré, een geheimzinnige solo waarin hijzelf aan een bureau in de lucht zat begeleid door merkwaardige teksten, of een kleine voorstelling met zijn beschermeling Christopher Knowles. Knowles was een autistische jongen met een bijzonder gevoel voor taal, Wilson zelf werd als kind met een spraakgebrek geholpen door een langzame spraaktherapie – het heeft mogelijk meegeholpen aan het ontstaan van deze ongrijpbare theatertaal, theaterpoëzie eigenlijk, opgebouwd uit onverbonden stukjes tekst, beelden, actie en muziek die toch een geheel gaan vormen. En soms ook niet. In Mickery heb ik nog eens met hem gepraat – lange man, soft spoken, dromerig – over een vaag tv-plannetje, dat nooit verder is gekomen. Hij had de Nederlandse tv niet nodig. Wilson de theatertovenaar begon aan een mega-project, de Civil Wars: acht verschillende avondvullende voorstellingen geproduceerd in acht wereldsteden, die daarna achter elkaar gespeeld zouden worden in Los Angeles tijdens de Olympiade van 1984. Ik zag er twee van. Het was het laatste Wilsontheater dat nog echt Einstein-achtig was: verhaalloze losse tableaus op basis van oude foto’s en zijn eigen schetsen, mooi en langzaam, volkomen onvoorspelbaar, soms grappig, soms ook eng. Maar het bij elkaar brengen lukte niet, het was natuurlijk een peperduur project. In een docu uit die tijd zie je een zwaar teleurgestelde Bob in zijn bed kruipen nadat duidelijk is geworden dat er nooit een integrale CivilWars zal komen.

Voor zijn carrière maakte het weinig uit. De reputatie van Bob Wilson was inmiddels zo groot dat hij over de hele wereld klassieke opera’s en toneelstukken kon ensceneren en naar zijn hand zetten. Zijn theater had de grote zaal nodig, een prachtig toneelbeeld en de scherpe precieze uitlichting waar hij zich tot in détail mee bemoeide. (In Keulen maakte ik mee dat zijn voorstelling pas twee uur later kon beginnen, omdat hij nog niet tevreden was over het lichtplan.) En het had, wat mij betreft, zeker ook goede muziek nodig: van Glass, of van Tom Waits (The black Rider) of Lou Reed (Time Rocker). Als puur teksttheater (Duras) vond ik het toenemend tekortschieten, opdrogen in de visuele stijl die zo hardnekkig weigert om verhalend of psychologisch te zijn. Gaandeweg werden de Wilsonvoorstellingen steeds meer gestileerd: de simpele wit-grijze werkkleding van vroeger maakte plaats voor felgekleurde kostuums en witgeschminkte gezichten uit het kabuki-theater, ik begon me te storen aan alle opgelegde kunstmatigheid, waar losheid en humor uit verdwenen leken. (Een dieptepunt was het om hem Hamlet als solo te zien spelen: een te zware middelbare man die rare poses aanneemt en vreemde teksten vreemd zegt – ik ben weggelopen.)

En toen kwam er een reprise van Einstein on the Beach, in Amsterdam in 2013. Ik ging er for old times’ sake weer samen met Edith naar toe, ditmaal met kaartjes. Vol verwachting, hoewel je natuurlijk nauwelijks kunt verwachten dat het bij een (derde) weerzien nog eens zo verpletterend zal werken. Ook deze opera was her en der wat ‘mooier’ gemaakt, bij-gekunst: de kostuums frisgewassen en de gezichten wit geschminkt, om het meer kabuki te maken denk ik. Eén man had ineens een rood hemd aan, een ander dook op in een soort berenkostuum. Destijds was het in mijn herinnering qua aankleding een stuk gewoner, alsof dit doodnormale mensen waren, van kantoor geplukt, die op een rare manier gevangen zaten in de herhalende patronen en in Einsteins vreemde tijdmachine. Dat beeld had me gepakt en ontroerd. Nu stoorde ik me wat aan de toegevoegde stileringen. Maar de combinatie van theaterbeeld, beweging, zang, muziek en vreemde teksten kreeg bij vlagen toch weer zijn betovering. Kijkend als theatermaker was ik onder de indruk van de enorme vrijheid, de maling aan alle regels; ‘hoe hebben ze dit ooit op de planken gekregen!’ Ik werd meegenomen en hield ook afstand, ditmaal met m’n mond dicht.

Maar toen kwam het moment, tijdens de gevangenisscène, dat ik opgetild en verplaatst werd, geteleporteerd: ineens liep ik weer over het grote centrale plein van Avignon (ik ben er nooit meer terug geweest). Oh ja, daar stond middenin een klein gebouwtje en op die hoek is de eettent waar je stukken pizza kunt afhalen en dáár heb ik nog een Franse cartoon gekocht. Plotseling leek het alsof ik de kleren kon voelen die ik destijds aanhad, een broek met wijde pijpen die om mijn benen fladderde, en alsof ik weer het haar voelde dat tot op mijn schouders hing. Ik zag de weg terug naar de camping, de straten die je moest doorlopen, de brug waar mijn vriend beroofd was (of had hij dat verzonnen en gewoon zijn portemonnee verloren?).

Ik ben vaker door muziek teruggebracht naar vroegere situaties en stemmingen, maar nooit zo dringend en dwingend als tijdens deze tranceachtige theaterbelevenis. Daar in die stoel in het Amsterdamse Muziektheater was ik een kort moment ervan overtuigd dat ik op de rand stond van een wormgat dat me zevenendertig jaar terug in tijd en plaats zou brengen, ik hoefde me er alleen maar in te laten vallen – maar ik wilde niet, ik hield tegen. Ik had helemaal geen zin om alles nog eens mee te maken, hoe aantrekkelijk dat idee ons vaak ook lijkt. Of om daar in dat verleden een verandering aan te brengen en dan vermoedelijk nooit meer terug te komen in hetzelfde heden, met vrouw en kind. Dit speelde zich af binnen enkele seconden, toen sloot het wormgat zich weer. Terugschrikkend voor de tijdreis dwong ik mezelf terug naar het heden van een Amsterdamse theaterzaal. En zo werd ook de derde ‘Einstein’ een bijzondere ervaring die ik niet snel zal vergeten.

Rust zacht, maestro Robert Wilson, met dank dat je naast het imposante oeuvre ook zulke momenten mogelijk maakte.