
(19 jan 2026) (In de serie Citaten om op te kauwen)
‘Maar juist omdat ze vertwijfeling is met behulp van het eeuwige, staat ze (..) heel dicht bij de waarheid. En juist omdat ze heel dicht bij de waarheid staat, is ze er oneindig ver van verwijderd’.
In ‘De ziekte tot de dood’ heeft de Deense filosoof Søren Kierkegaard (1813-1855) het over vertwijfeling. Maar hij verstaat daar niet precies hetzelfde onder als wij gewoonlijk doen: het wanhopen aan zin en betekenis van een bezigheid, een relatie of van het leven zelf. Kierkegaard ziet de geestestoestand van vertwijfeling namelijk als iets dat altijd al en steeds aanwezig is in een mensenleven, weliswaar in verschillende vormen en gradaties, maar toch voortdurend. Ook als je niet vertwijfeld bent, ben je vertwijfeld, aldus de Kopenhaagse denker die grote invloed zou krijgen op alle mens- en existentiefilosofie na hem, van Heidegger tot aan Camus. Uit die stijlfiguur, van een tegenstelling die bij nader inzien geen tegenstelling blijkt te zijn, komt al naar voren dat deze denker een actieve aanhanger was van het dialectisch denken, zoals dat vóór hem vooral door Hegel op de kaart gezet was. Iets, een begrip of een relatie, is niet statisch, maar het bevat ook al zijn eigen tegendeel. En uit de spanning daartussen komt weer iets anders, nieuws voort. Het denken in vaste brokstukken – objecten, ideeën – geplaatst tegenover een vaste observator, wordt hier vervangen door een dynamische opvatting waarin alles in beweging is en blijft: het denken, het bewustzijn en de wereld. Als in een voortdurende dans eigenlijk, best een mooi beeld.
Het vervelende met deze visie is alleen dat we op die manier nauwelijks grip krijgen op datgene wat we willen onderzoeken. Het beweegt zich steeds onder onze (begrips)vingers vandaan, glipt weg en verandert in zijn eigen tegendeel, als een gladde en ook nog pesterige aal die je telkens in je gezicht uitlacht. Ik geef nog een vrij willekeurig gekozen voorbeeldje, uit hetzelfde boek: Iedereen is wel een beetje vertwijfeld en ‘het is ook een vorm van vertwijfeling om je er niet bewust van te zijn dat je het bent’. Kierkegaard meent dat ook de dood hier geen eind aan maakt, want er bestaat slechts eeuwigheid en vertwijfeling hoort als vast kenmerk bij de eeuwig levende ziel. Vertwijfeling is er kortom altijd en overal.
Ik kom er maar rond voor uit: ik heb het erg moeilijk met deze opvatting, net als met het citaat bovenaan dit stuk. ‘Juist omdat ze heel dicht bij de waarheid staat is ze er oneindig ver van verwijderd’…? Geldt dan misschien ook: juist omdat ze er ver vandaan is, staat ze er heel dichtbij? Mijns inziens schieten we hier helemaal niets op. Tenminste niet op het gebied van nuchter onderzoek, dat daadwerkelijk iets wil blootleggen over een onderwerp. Als poëzie kan ik het best waarderen, en als satire zeker, maar zo is het niet bedoeld. Het is volkomen serieus. In de verte hoor ik de echo van oosterse wijsheden uit het hippie-tijdperk zoals ze ooit om mij heen verteld werden, gezeten op de Perzische tapijten van de Melkweg met een stuk hashcake in de hand. De dingen zijn niet zomaar wat ze lijken, natuurlijk niet! Dat was het square rationele westerse denken dat er alleen maar op uit was om alles en iedereen te beheersen (en er dan flink veel geld aan te verdienen). De dingen, én de mensen ook én de natuur en alle ideëen en gedachten, die vormen eigenlijk een groot geheel waar je niet zomaar een stukje uit kunt lospeuteren, kom nou! En waarom zou dan iets, een ding of idee, niet ook evengoed zijn eigen tegendeel kunnen zijn? De logica, weer zo’n uitwas van rationaliteit, die moest hoognodig overboord gezet worden. Dit was op zichzelf natuurlijk een zwaar gemankeerde weergave van oosterse filosofie, maar het ging ook niet om precisie (rationeel!), het ging erom de goede intuïtie aan te voelen, de groove weet je wel, en niet om lastige vragen te stellen.
Het zal duidelijk zijn dat ik toch te rationeel ben voor deze kijk. Ik vind het vaag en onbevredigend in een tekst die toch zaken wil verhelderen. Want wat wordt er verhelderd als iets tegelijkertijd heel dichtbij (de waarheid) staat en oneindig ver weg? Eigenlijk dit: dat je er kennelijk nauwelijks iets over kunt zeggen. Het doet denken aan de raadselachtige wereld van de quantumfysica, waar de allerkleinste deeltjes zich op twee plaatsen tegelijk schijnen te kunnen bevinden en elkaar op afstand kunnen beïnvloeden. Het is een wereld die we ons nauwelijks kunnen voorstellen en die overigens alleen met heel precieze, concrete (rationele!) wiskundige formules tevoorschijn kan worden geroepen. Spannend, vind ik, en opwindend, maar juist omdat het zo anders geregeld is dan in onze eigen, dagelijkse wereld. Daar kan iets of iemand fysiek niet tegelijk dichtbij zijn en heel ver weg – voor onze lichamen, in de drie á vier dimensies waarin we ons op aarde bewegen, gelden een paar onmiskenbare basisregels. Bijvoorbeeld dat één voorwerp niet op twee verschillende plaatsen tegelijk kan zijn. En dat de tijd er in éen richting verloopt. Daar geldt dat wij lichamen hebben die aan bepaalde randvoorwaarden gehoorzamen, en geesten die op hun beurt aan deze fysieke basis gebonden zijn.
Mijns inziens moet filosofie, wil ze werkelijk van nut zijn voor ons mensen, en geen fantasy of absurde humor, zich die basisregels voor ogen houden. Dus de concreetheid én lichamelijkheid van het menselijk leven binnen zijn gegeven dimensies respecteren. En als je iets wil weten over vertwijfeling, die zeker bestaat en die ook door iedereen wel eens gevoeld wordt, heeft het weinig zin om te doen alsof alles steeds vertwijfeling is. Dan zouden we ons er eigenlijk niet druk over hoeven te maken, dan konden we het wegstrepen, zoals we ook niet lang stilstaan bij ademhalen. Maar intussen is het vertwijfeld zijn wel degelijk een ernstig verschijnsel, te vergelijken met een ziekte, die zich soms in alle hevigheid doet gelden. Dat vraagt om een zinvolle bespreking waaraan je iets kunt hebben. Zoals bij ziektes als bronchitis of angina, waar je graag van af wilt; dan is het nogal irritant als je te horen krijgt dat je altijd bronchitis hebt en zult hebben en dat de staat van gezondheid kennelijk niet bestaat. Het dialectische goochelen helpt ons hier niet verder.
Maar nu doe ik Kierkegaard niet helemaal recht. Hij biedt namelijk toch nog een uitweg uit die alomtegenwoordige ziekte van vertwijfeling – die ik dus liever gelijk zou stellen aan het menselijke, denkende leven zelf. Zijn uitweg, zijn ‘gezondheid’, heet God en het geloof in God. ‘Wie gelooft bezit het eeuwige zekere tegengif tegen vertwijfeling: mogelijkheid’. Helaas, ook deze uitweg vind ik erg onbevredigend. De mens, die eeuwig vertwijfelde, kan met het zelfgemaakte sprookje van religie de eigen vertwijfeling verslaan? Gaat hij dan nooit twijfelen aan dat sprookje? En waarom kan hij dan eigenlijk niet evengoed gaan geloven in zijn eigen mogelijkheden, in het sprookje van de mens? Hij heeft dat religieuze sprookje immers ook zelf bedacht. Afijn, u snapt het wel: Ik ben Kierkegaard (weer) gaan lezen omdat hij een vaak genoemde filosoof is die ik niet goed ken, een betrekkelijk witte vlek op mijn filosofische landkaart. Ik had er meer van verwacht, misschien zelfs gehoopt op een nieuwe ontdekking – en werd teleurgesteld. Maakt mij dat nu vertwijfeld? (Voor zover ik dat al niet de hele tijd ben, zie hierboven) Nee, niet echt. Eerder het tegendeel: ik weet zeker dat dit niet mijn filosofie is.
En dan komt er nog een grote, denderende verrassing, onthuld in het nawoord: Kierkegaard meent dit niet per se! Het boek werd gepubliceerd onder een pseudoniem, van Anti-Climacus, en dat blijkt niet voor niets te zijn. Eerder gebruikte Kierkegaard de alias CLIMACUS voor een boek dat laat zien dat twijfel overal is, elke waarheid maar betrekkelijk en dat we daarom overgeleverd zijn aan het leven en de ervaring zelf, zonder vaste ankers of principes. Behoorlijk modern, zou je zeggen – de basis van het existentialisme. In zijn volgende publicatie, dit boek, laat hij nu expres het tegendeel aan het woord, via de figuur van ANTI-Climacus: deze spreekt zonder enige twijfel, stellig en stellend, zekerheden uitstrooiend over ons bestaan waarin slechts de keuze bestaat tussen vertwijfeling en God. Zo kon hij twee radicaal tegenovergestelde visies presenteren. Kennelijk met de bedoeling dat lezers er dan hun eigen keuze uit zouden maken. Van zoiets valt je mond open: Kierkegaard vereenzelvigt zich niet met wat hier staat, dit is niet precies zijn eigen mening, al doet hij wel alsof! Het is onderdeel van een grote test voor de lezer. En het schijnt dat hij deze strategie wel vaker toepaste. Behoorlijk pesterig, vind ik. Eh, ik bedoel.. dialectisch. Of is dit eigenlijk gewoon briljant? Ik ben bang dat het virus van de dialectiek mij toch te pakken heeft gekregen.
Geef een reactie