Drie noten van Woodstock

geplaatst in: Film & TV, Maatschappij, Muziek | 2

(17 aug 2019)  G, Fis, E. Drie noten, snijdend hard aangeslagen op een electrische gitaar. Voorafgegaan en ondersteund door een herhalend loopje op het electrische orgel. Het is misschien wel een van de bekendste licks uit de hele popmuziek. Hoor het, of speel het, en je hart springt open: G, Fis, E (in de klinkende versie) – drie gierende noten als bekroning van een intro, bedacht door pianist Chris Stainton en pianist/gitarist Leon Russell om een middelmatig, vriendelijk liedje van Lennon en McCartney te veranderen in een ware soulsong, een gillende schreeuw van verlangen naar vriendschap en saamhorigheid. Het is, natuurlijk, de intro van With a little help from my friends in de monumentale versie die Joe Cocker de wereld inzong op het festival van Woodstock, vandaag vijftig jaar geleden.

Het was het laatste nummer dat Cocker en zijn Mad Dogs and Englishmen-band er ten gehore brachten. ‘This title puts it all into focus’, zegt de rauwe diamant uit Sheffield ter introductie en gelijk heeft ie. Meer dan alle andere grootse optredens op het festival (The Who, Santana, Crosby, Stills en Nash, Sly and The family Stone, Richie Havens niet te vergeten – ik wil eigenlijk de complete lijst opnoemen), meer dan al die schitterende nummers gespeeld door een leger van prachtige muzikanten, is het deze ene performance die de verzamelde honderdduizenden hippies vertegenwoordigde, ze een stem gaf en de gebeurtenis zelf samenvatte. We gaan het doen, met een beetje hulp van onze vrienden. We gaan de wereld veranderen, vertrouwend op de gelijkgestemden om ons heen. Het gaat mij/ons lukken. De zeggingskracht is niet los te zien van Joe’s unieke, ongeschoolde manier van zingen; niks rustige soulstem of gedistingeerde pose achter de microfoon, maar een wanhopig zwaaien met armen en lijf om de tonen te treffen, nee, om ze vol te raken en ze allemaal het volle pond te geven. Was dat eigenlijk nog wel zingen, of eerder schreeuwen, zoals zure critici opmerkten? Ja en wat dan nog? Zoals de free jazz binnen dat genre de deuren openzette naar een muzikale oerschreeuw, zo deed Joe Cocker het voor de pop. Expressie boven vakmatigheid. G, Fis, E: een schreeuw van verlangen en kracht.

Woodstock was natuurlijk vooral een film. Gevolgd door een dubbelelpee. Over het festival zelf waren er wel de nodige berichten geweest in de krant en op tv, maar die brachten niet de ervaring zelf over. Precies dat lukte de urenlange documentaire, en daarmee werden festival èn film terecht legendarisch. Ik zag de film voor het eerst samen met mijn moeder. Het was de zomer van ’70, ik was net vijftien en dat zij meeging had te maken met de leeftijdsgrenzen van toen, maar dat is een ander verhaal. Als jonge langharige liep ik met mijn keurige moeder de foyer van Bellevue Cinerama in en werd meteen ondergedompeld in het hippiedom. Hippe jongemannen in wijde broeken en vrouwen in kleurige jurken zaten en lagen op de grond in deze eerbiedwaardige bioscoop, (de enige in Amsterdam die 70mm kopieën kon draaien), hingen tegen de muren en rookten uit kleine pijpjes. We stapten voorzichtig over hen heen om de zaal te bereiken. Mijn moeder had achteraf het meeste op met Sly (‘I wanna take you higher – higher!’) maar ook de zwaaiende armen van Joe Cocker bevielen haar wel, in elk geval dat zei ze. Het belangrijkst was dat ze mij naar binnengeloodst had. Want voor mij ging door dit bioscoopbezoek definitief de wereld open waar ik bij wilde horen, qua muziek en qua levensstijl.

Woodstock (de film en het festival) was een explosie, niet alleen van popmuziek maar ook van een gezamenlijke levenshouding. Precies die combinatie verleende juist dit festival, tussen alle andere popconcerten, zijn mythische status. Zoals een popcommentator later schreef: ‘een klein moment leek het alsof rock and roll de wereld zou erven’. Verderop in de seventies bouwde Neil Young een concert op rond geluidsopnames van de bühne-aankondigingen van het festival: ‘Maybe we can stop the rain by shouting’ of ‘Please come down from the towers!’. Zinnetjes die een bijna heilige status hadden verworven, als waren ze deel van de eredienst van een nieuwe religie. En het was natuurlijk ook een soort religie, in elk geval een ideaal om intens in te geloven: peace en love met z’n heel velen bij elkaar – spontane solidariteit en onbaatzuchtigheid, drie dagen lang waargemaakt.

Natuurlijk was het een droom, natuurlijk moest het instorten. Jaren later zag ik Cocker terug als verdwaalde gast op een groot jazzrockfestival in Zuid-Frankrijk: tussen schitterende instrumentale bands door wankelde een zwaar door drank getekende Joe over het podium, en bleek de tekst van z’n eigen lijflied niet meer te kennen. De gitaarlick kreeg  een nieuwe bijklank. Maar de geest van Woodstock never dies. Joe herstelde, leerde de tekst weer en bleef daarna With a little help zingen, met complete soulbands achter zich. En steeds als herkenningspunt de drie magische noten. In een mooie liveversie uit begin jaren negentig herhaalt het koortje eindeloos en hypnotisch slechts de woorden: ‘Try, Help, Friends’. Waarmee de Woodstock-levenshouding kernachtig wordt samengepakt. De wereld was intussen een andere richting opgegaan. Niet rock and roll, maar de commercie erfde (ons deel van) de wereld. Eigenbelang won het van solidariteit, het nieuwe refrein luidde: ‘Buy, Self, Trends’.

In m’n eerste lange speelfilm, De Orionnevel uit 1987 gebruikte ik de mythische intro plus gitaarlick als muzikaal ankerpunt. Het gaat over verdoolde, twijfelende dertigers, die zichzelf de ‘kinderen van Joe Cocker en Willeke Alberti’ noemen en gaandeweg een clubje vormen. Nu vertelden de drie noten ook over teleurstelling en wanhoop. En ook dat is alweer verre geschiedenis. Inmiddels is Joe zelf niet meer onder ons, maar hij is verre van vergeten; in Dresden hebben ze het grasveld waar hij ooit speelde naar hem vernoemd. En de gitaarlick, die leeft voort in al zijn glorie, als een trotse 50-jarige jubilaris die met de jaren aan diepte heeft gewonnen. Nog steeds kunnen de drie tonen je direct in het hart raken, als melancholieke herinnering, dan wel als wake up call, of zelfs als battle cry: G, Fis, E – try, help, friends.

 

Film: Woodstock – three days of peace, music… and love, regie Michael Wadleigh (1970)

Foto: Everett Collection/Rex

Het fameuze optreden van Cocker op YouTube.

2 Responses

  1. Ate de Jong

    Het is helemaal niet belangrijk Jurrien, want het verhaal over Woodstock en vooral de verandering van de horizontale maatschappij waarbij we samen wilden leven en delen naar d everticale maatschappij, ikke, ikke en de rest kan stikke, is het boeiende aan je essay, MAAR in 1970 kon –volgens mijn herinnering– ook bioscoop DuMidi 70 mm vertonen en Tuschinski 1 al gebeurde het daar nagenoeg nooit.
    vr gr
    Always
    Ate

    • Jurriën Rood

      Tanx voor je reactie, Ate, en daar zou je wel eens gelijk in kunnen hebben. Van Tuschinski (er was toch nog geen tweede zaal toen?) ben ik niet zo overtuigd. Du Midi, ja dat zou goed kunnen. Maar de B. Cinerama maakte er een speciale attractie van, als ik me goed herinner. Stuff voor een bioscoophistoricus. Gaat inderdaad om het andere, horizontaal vs. verticaal, ja scherp. Maar het vermengt zich natuurlijk ook. Bij filmmaken zelf kan je weer niets zonder een flinke portie verticaliteit. Gaat om een mix en de horizontaliteit/solidariteit nooit uit het oog te verliezen. Afijn, zoals de gitaar sprak: G, Fis, Es.