Twee filmers, door de jaren heen

geplaatst in: Film & TV, Kunst | 0
Don’t look now, 1973

(30 nov 2018)  Afgelopen week stierven achter elkaar twee filmmakers die ik wil gedenken omdat ik met beiden een soort van band had. Niet dezelfde band, helemaal niet. Met het werk van Nicholas Roeg heb ik een wat moeizame verhouding en Bernardo Bertolucci op zijn best hoort voor mij tot de meesters van de cinema. De overeenkomst ligt ergens anders.

Als filmkijker ben ik gestart begin jaren zeventig. Dat is zo’n ongelooflijke tijd terug dat je de favorieten van toen rustig kunt gaan herzien zonder ze precies te herinneren. Wat me opvalt bij zo’n hernieuwde kennismaking is dat ik er meestal hetzelfde over blijk te denken als destijds. (En als ik het niet zo goed meer weet kan ik het nalezen. Ik schrijf over elke film die ik zie wat op, al sinds toen.) Of dat een goed teken is of juist slecht weet ik eigenlijk niet, maar zo werkt het bij mij. Een grappige film die ik toen zag (Take the money and run, Bringing up Baby) vind ik nog steeds grappig, een spannende nog steeds spannend (Three days of the Condor). Al is het verteltempo intussen natuurlijk veel hoger geworden en doen de omstandigheden verouderd aan. Eigenlijk best opvallend hoe goed goede films oud worden; ze overleven vijfenveertig jaar zonder moeite. Maar een matig gelukte blijft voor mij matig gelukt (The Last Tycoon), en een rotfilm van toen (geen voorbeeld)… ja, die ga ik niet zo snel terugzien.

Op deze persoonlijke regel zijn maar een paar uitzonderingen. Eén daarvan is het hoofdwerk van de regisseur die deze week gestorven is, Nicholas Roeg. Aan Don’t look now vond ik destijds, in 1973, als broekie op de Filmacademie, niet zo veel aan. De montage irriteerde me. Nepspanning, door wild snijden, het pakte me niet. Dat was in die tijd trouwens niet een heel originele techniek. Juist in de psychedelische dagen deden meer filmers het, soms om een drugsachtige roes op te wekken. Ook aan de zoomlens werd druk heen en weer gedraaid voor zo’n effect. We bespraken het vurig en kritisch op de Filmacademie. Het is natuurlijk een smaakkwestie (zoals alles bij film), maar voor mij werkte het niet. Ik hield zeker van een goede filmtrip, maar de straightere tripachtige sekwenties in 2001 of in l’Annéé dernière a Marienbad vond ik gewoon veel beter.

Afijn. Misschien moet je volwassener, ouder en zelf vader zijn om beter met de pijn in Don’t look now (over het verdronken dochtertje) mee te leven. Dat is mij in elk geval overkomen. Bij het weerzien decennia later trof het Venetië-verhaal me ineens als een spannende, sterke film. Ik neem daarvoor alsnog mijn hoed af. Ook het vreemde Bad Timing beviel me bij herzien beter – maar ja, wat wil je ook met Keith Jarrett’s soloconcert op de soundtrack?

Ik heb van Roeg nog ander werk gezien dat in de necrologieën nu erg geprezen wordt, maar vond dat lang niet zo sterk. Daar komt nog bij dat ik ooit, als jonge filmmaker, op het filmfestival van Rotterdam met Roeg in de lift stond. Iemand herkende hem en vroeg of hij niet bij de screening van zijn film (Eureka?) moest zijn. Waarop Roeg op besliste toon meedeelde dat hij nooit naar publieksvertoningen van zijn films ging, en dat volkomen overbodig vond. Op mij maakte dat een hele slechte indruk. Je moet toch op z’n minst een paar keer je film meebeleven met publiek, vond ik. En je kunt ook gewoon nieuwsgierig zijn naar de reacties, zeker in een ander land. Maar goed, ik was jong en hij was een ervaren vijftiger. En misschien had hij gewoon een beetje teveel op.

Bertolucci is een ander kopje thee. Ik ga niet proberen hier in kort verband de loftrompet te steken over de man die Il Conformista maakte, meesterwerk, nog voor z’n dertigste! (Prima della rivoluzione en De Strategie van de spin had hij toen al gemaakt.) Van Novecento was ik weer niet zo kapot; te schematisch, een euvel waar meer van zijn scripts aan lijden. Maar deze jonge regisseur was in de jaren zeventig al een legende. Hij kon rustig even van de radar verdwijnen om terug te komen met een verpletterend epos als The Last Emperor. Mooi is het bij hem altijd, dramatisch en broeierig, en met een soort pure wellust in het filmen, die betoverend werkt.

Last Tango in Paris, 1972

Maar goed. De Bertolucci-film waar het mij om gaat is Last tango in Paris. Eens in de zoveel jaar herzie ik dit werk. Altijd weer Last Tango. Ik denk dat ik er ooit voor viel, als jongen van nauwelijks achttien, omdat de intensiteit zo groot is. Natuurlijk staat Last Tango te boek als een halve pornofilm, maar daar lag voor mij niet de aantrekkingskracht. Niet dat de hoofdpersonen seks hadden was bijzonder, maar dat ze zo verschrikkelijk intens waren. De rouwende middelbare expat en de nieuwsgierige jonge vrouw. Terwijl de camera eigenlijk blijft toekijken en niet probeert om de intensiteit te vergroten met drukke bewegingen (zoals in moderne films zou gebeuren). Het licht werkt enorm mee en natuurlijk de scheurende, verzengende sax van Gato Barbieri, precies de goede keuze voor een film over wanhoop, verliefdheid en seks als vluchtheuvel.

Ook over deze film ben ik met de tijd anders gaan denken. Maar telkens weer anders. Door de jaren heen bleek Last Tango een film te zijn om mezelf tegen af te zetten. Ooit leefde ik totaal mee met de verloofde van Jeanne, een jonge filmer, gespeeld door de dwaze, monomane Jean-Pierre Léaud, in wie ik mijn alter ego meende te zien. Later kreeg ik puur door leeftijd afstand van hem, draaide meer naar de brullend kwetsbare macho Brando en snapte hem wat beter. (Een bijzondere performance, nota bene uit hetzelfde jaar waarin Brando de Godfather gestalte gaf. Opener en kwetsbaarder heeft hij zich nooit meer getoond.) Nog weer later kon ik objectiever naar allebei kijken, kreeg last van hun aanstellerij en van de onwaarschijnlijkheden in het plot. Nu keek ik ook nuchterder naar de prachtige, jonge Maria Schneider. Zij is en blijft het die de film van zijn hart voorziet.

Erg pijnlijk is de recente onthulling dat de beruchte aanrandingsscène-met-de-boter niet met haar was doorgesproken. Dat is helemaal fout, en een schandvlek op het blazoen van de film en zijn makers. Als filmscène was het toch al pijnlijk en gruwelijk, maar dat paste nog binnen het verhaal. Die scène was ook de belangrijkste aanleiding voor het schandaal rondom Last Tango, het jarenlange Italiaanse verbod van de film en de gerechtelijke veroordeling van Bertolucci. Het werd destijds alleen maar gezien als bevestiging van de grensoverschrijdende kwaliteit van de film. De wetenschap dat de scène eigenlijk (deels? helemaal?) echt is en dus letterlijk wetsoverschrijdend, daar zal de film vermoedelijk nooit meer overheen komen.

En toch zal ik hem weer bekijken, over een tijdje. Al was het om te zien of de betovering helemaal is uitgewerkt. Tot nog toe leek de film me bijna onuitputtelijk. Juist omdat het geen puntgave politieke mededeling is (zoals Il Conformista), maar een imperfect verhaal over imperfecte mensen die klauwen naar een beetje geluk. Vol gedenkwaardige scènes. Brando die zich zijn hond herinnert. Schneider die schreeuwt: ‘It’s you, it’s you!’ Marlon die tangodansers bespot door zijn broek te laten zakken. Mijn hoed gaat toch diep af voor de jongeman die dit ooit gemaakt heeft. En gelukkig stond ik nooit met hem in de lift.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *