4,3,2,1 – Het dikke boek en het korte verhaal

geplaatst in: Kunst, Literatuur, USA | 0

(28 sept 2018) ‘Een goed boek moet dik zijn’, zei vriendin C. ooit. Daar zit veel in. Als je een echt goed boek te pakken hebt is het helemaal mooi als het lezen een hele tijd duurt. Niks zo leuk als diep wegzakken in een meeslepende vertelling terwijl je weet dat er nog vele honderden bladzijden op je liggen te wachten. Op die manier las ik in een warme zomer De Ontdekking van de Hemel, hopend dat het boek gewoon niet ten einde zou komen.

Tegenover C.’s uitspraak kan je ook nuchter stellen: ‘een dik boek moet wel goed zijn’. Anders wordt het lezen een enorme opgave. Bij een gewone roman, tussen de twee- en vierhonderd bladzijden lang, is het niet zo’n ramp als je het uiteindelijk niet fantastisch vind. Bij een dik boek – meer dan 500, misschien wel meer dan duizend pagina’s – wordt verder lezen op den duur een bezoeking. (En ja, ik weet echt dat je een boek ook weg kunt leggen. Zoals je een slechte tv-uitzending gewoon uit kunt zetten; ‘Er zit een knop op dat apparaat, hoor!’ – jaja. Maar een boek wegleggen moet je meteen doen,  als het na dertig pagina’s nog steeds niet aanslaat. Doe het maar eens als je er verder in bent gekomen en een bepaalde spanningsboog is opgebouwd die nieuwsgierig maakt naar de afloop – ook al blijkt die afloop teleurstellend of oninteressant. Het is de investering van eigen tijd en aandacht, die op een of andere manier terugverdiend moet worden. En het lijkt wel of pas door het ten einde lezen je het verhaal ook weer kunt wegzetten in het innerlijk archief, en kunt vergeten. Honderden boeken heb ik uitgelezen en ben ze vergeten; de paar die ik na een poos lezen uit tegenzin heb dichtgeslagen kan ik nu nog opnoemen. Maar goed. Over het probleem van het wegleggen van boeken, of het weglopen bij films, theatervoorstellingen en concerten – een volgende keer.)

De lastigste categorie is die van het dikke boek dat af en toe goed is. En af en toe niet. Precies dat is aan de hand met het nieuwste boek van Paul Auster 4,3,2,1. Dik is het zeker: twaalfhonderd bladzijden in de Duitse vertaling die ik las. Het werd in de Duitse pers onthaald als het rijpe meesterwerk van een auteur, die al zo’n dertig jaar gerekend wordt tot de belangrijkste Amerikaanse romanciers. Een ideaal vakantieboek dus, maar toch lukte het mij niet om het binnen de vakantie uit te lezen. Hoe kan een boek slechts af en toe goed zijn? Dit wordt een soort boekrecensie, lezer, en dus – SPOILER ALERT – zal hier van alles worden verraden over de inhoud.

1.

Het gaat om de coming of age van Archie Ferguson, een joodse jongen en beginnend schrijver in het New Jersey en Manhattan van de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw. ‘De jonge jaren van Archibald Ferguson’ zou een prima ondertitel zijn geweest, maar zo eenvoudig maakt Auster het niet. De echte titel verwijst naar de originele opzet van dit boek: hij vertelt de jonge jaren namelijk vier keer, als levensvariaties. En niet na elkaar, maar dwars door elkaar heen. (De verhaallijnen zijn genummerd om ze uit elkaar te houden). Als klein jongetje valt het Archie al op dat de dingen in het leven net zo goed anders zouden kunnen lopen, dat het toeval regeert – en hij wordt door de schrijver op zijn wenken bedient. Zo krijgen we vier biografieën van dezelfde opgroeiende jongen met dezelfde ouders, maar beïnvloed door andere levensgebeurtenissen. De dood slaat toe, een ingrijpend ongeluk verandert de levensloop, een ongelukkige liefde stuurt Archie een nieuwe kant op: dit zijn ‘de vele levens van Archibald Ferguson’.

Tenminste, dat zou je verwachten, naarmate Auster zijn ambitieuze opzet ontvouwt. Gedroomde levens, wild uiteenlopend, vlak naast elkaar gezet. Archie als astronaut, Archie in Vietnam misschien? Mijn teleurstelling was dat dit juist niet gebeurt: de levens blijven nogal dicht bij huis, cirkelend rond hetzelfde vriendinnetje en vooral rond hetzelfde thema van het beginnend schrijverschap. De ene keer is hij een jonge journalist, dan een vertaler van gedichten, of een romancier – het gaat om dezelfde schrijver in spé en vermoedelijk zijn het variaties op de autobiografie van Paul Auster zelf. Precies deze benauwde en ook wel ijdele zelfobsessie maakte dat ik het boek af en toe weg wilde smijten. Eén coming of age van een jonge schrijver zou ik misschien nog verdragen, maar vier (of in elk geval drie – Spoiler!)? Een schrijver die over schrijven schrijft, pfff, is er echt niks interessanters?

2.

Ja, dat is er wel. Bijvoorbeeld de turbulente politieke ontwikkelingen in het Amerika van de sixties, van de moord op Kennedy tot aan de rassenrellen en de studentenopstand aan de Columbia universiteit in New York. Alle puberervaringen en -experimenten met seks, hetero en homo. De vele onzekerheden van het opgroeien, de wisselende vriendschappen, de moeizame verhouding met een stugge vader – en Auster dist het allemaal op in een zwierige, vloeiende vertelstijl van lange en superlange zinnen, alsof hij in één klap Proust en Dickens naar de kroon wil steken. Het is de joyeuze schrijfstijl zelf die je meesleept door een landschap van vaak niet eens zo bijzondere gebeurtenissen. Meer dan een schrijver van wilde fantasie of onvergetelijke personages is Auster een wat introverte miniaturist, die doodgewone zaken – een zolderkamer, een wandeling, seks – kan omtoveren tot glanzende stukjes leven. Daarnaast laat hij zich hier kennen als sterke verslaggever van maatschappelijk oproer. En, ontypisch voor deze doorgaans ernstige om niet te zeggen donkere schrijver, is het proza vaak vrolijk en geestig.

3.

Intussen begint na een tijdje het gebrek aan thema te irriteren. Leuk al die variaties, maar waartoe eigenlijk? De zeer vele personages worden uitwisselbaar, veel van de opgevoerde vriendinnen krijgen nauwelijks een eigen gezicht, de verhaallijnen hebben een hoog ‘en toen en toen’-gehalte, en waarom zijn het er eigenlijk vier en niet zes, of twee? – zulke vragen komen natuurlijk alleen bij je op als de gebeurtenissen zelf niet dwingend noodzakelijk lijken. Maar dat is precies waar het Auster om te doen lijkt; geen enkele levensloop is noodzakelijk, het toeval cq. het noodlot kan elk ogenblik toeslaan, in de vorm van een ongeluk of een blikseminslag. Soms krijgt de maatschappelijke turbulentie directe invloed op de hoofdpersonen. Net zo gemakkelijk houden toeval en maatschappij zich een tijdje stil en gebeurt er niks dramatisch – waardoor Archie Ferguson verder kan bouwen aan zijn schrijverschap. Wat er ook gebeurt, linksom of rechtsom, je wordt toch wel wie je zal worden, tenzij het leven zelf je ontnomen wordt – zoiets suggereert Auster. De toevalligheid, het gebrek aan scherpe keuze, is zowel de zwakte als de kern van het boek, de reden om het weg te leggen èn de reden om door te lezen (om te kijken waar hij heen wil, of hij wel ergens heen wil). En Auster houdt inderdaad nog iets achter de hand, Ik zal het niet verklappen – het kon bij mij de smaak van teveel richtingloosheid niet wegnemen.

4.

En toch kent deze dikke pil een saving grace, het schitterende moment dat alles goed maakt. Dat komt als we ineens een jeugdverhaal van Archie in zijn geheel voorgeschoteld krijgen. Het gaat over een paar schoenen, Hank en Frank, die steeds met elkaar praten over hun leven. Dit korte verhaal is zo leuk, zo origineel en weemoedig en het invoegen ervan is zo’n welkome stijlbreuk, dat het de allerhoogste verwachtingen wekt voor alles wat dan nog moet volgen. Eventjes doet het boek dan denken aan die grote roman die heel in de verte misschien wel een inspiratie was: The world according to Garp van John Irving (1978). Ook daar gaat het om een beginnende schrijver die worstelt met beroeps- en privéleven. En ook daar zet de auteur ineens de handeling stil voor een kort verhaal van die schrijver, over een kat die elke dag een vastgebonden hond komt pesten. Schitterend, brutaal en geestig. Mijn diepe hoop bij 4,3,2,1 was dan ook dat Auster, net als Irving, zo vriendelijk zou zijn om verderop nog eens een pennenvrucht van zijn hoofdpersoon weer te geven. En dat doet hij – ditmaal is het een korte Kafka-achtige schets van een land waar de mensen zichzelf haten en lichamelijk bestraffen. IJzingwekkend. Het doet denken aan Austers prachtige eerste boek In the country of last things. Ik vergeef hem dat hij het daarna nóg eens doet, met een stukje introverte fragmentenroman, wat weer lijkt op ander vroeg eigen werk. Want in deze ingevoegde korte verhalen laat Auster zijn schrijverstanden zien: niks willekeur, scherpe keuzes, volstrekt dwingend.

5.

Het brengt me tot mijn eigen variatie op C’s uitspraak: ‘Een goed verhaal moet kort zijn, en kan evenveel zeggen als een dik boek’.