Opstand, opstand!

geplaatst in: Maatschappij, Politiek | 1

(25 mei 2018) Voor de maand voorbij is moet ik nog een kleine herdenking houden. Dit jaar worden in mei twee historische verjaardagen gevierd die ook met elkaar te maken hebben. Tweehonderd jaar geleden werd Marx geboren, en vijftig jaar terug brak in een aantal westerse hoofdsteden de meirevolte uit, waarnaar een hele generatie vernoemd zou worden. Hebben deze gebeurtenissen de (onze) wereld veranderd? Nogal. En mijn eigen wereld? Nog veel meer.

Over Marx schreef ik hier onlangs. Zijn huidige revival is mijns inziens wat overdreven. Het is alsof men de kwalijke kanten van het kapitalisme decennia lang uit het oog was verloren, en nu, wakker geschrokken uit de neoliberale roes, snel de oercriticus erbij haalt om hem alsnog gelijk te geven. Maar Marx had maar ten dele gelijk. Zijn analyse van mechanismen van het kapitalisme blijft indrukwekkend, maar al zijn voorspellingen zaten er faliekant naast. Hij verkeek zich volstrekt op het zelfverbeterend vermogen van kapitaal-plus-mensen en zal ook als gereanimeerde profeet op dit punt weer de plank mis slaan.

De andere verjaardag is voor mij belangrijker. Ook bij de culturele revolte van ’68 speelde Marx een rol; niet eens als oervader van het communisme, maar als peetvader van de maatschappelijke opstand in het algemeen. In deze opstand ging het niet alleen om grotere gelijkheid, tégen onderdrukking en maatschappelijk onrecht, maar vooral ook tegen een redeloze oorlog en tegen alle autoriteit belichaamd door de oudere generatie. Het was een radicale opstand die vijftig jaar geleden explodeerde in de straten van Parijs, Berlijn, Berkeley en Tokyo en die tot in de bioscoopzalen van Cannes reikte. Maar ze was eigenlijk al drie jaar daarvoor begonnen, in mijn eigen stad, Amsterdam. Met Provo. Een beweging die binnen één jaar de status quo van een heel land ernstig wist te ontwrichten. Zonder geweld en mèt humor. En nog altijd is er in Nederland geen dramatisering gemaakt van het fenomeen Provo, geen speelfilm of tv-serie. Hoe is het mogelijk?

Ik was elf in 1966, het jaar van de rookbom en de witte kip die naar de Gouden Koets werden geworpen. Het jaar dat Louis van Gasteren het politiegeweld tegen een onschuldige voorbijganger uitvergrootte tot een nationaal schandaal in de korte film Omdat mijn fiets daar stond. Zelden zal een korte film, in feite bestaande uit herhalingen van één shot, zo’n grote maatschappelijk impact hebben gekregen. Het was het jaar dat bouwvakkers woedend optrokken naar de Telegraaf, vanwege valse berichtgeving over de dood van een van hen. Ook voor een jonge Amsterdamse scholier was duidelijk dat de stad aan het gisten en koken was.

Mijn vader was toen advocaat en verdedigde één of meer van de Provo’s, waarvan velen, laten we dat niet vergeten, wegens hun acties achter de tralies terecht kwamen. Protesteren tegen de heersende orde betekende toen direct je vrijheid op het spel zetten. Via mijn vader kwam het langwerpige Provo-tijdschrift het ouderlijk huis binnen, waar ik het vond en opensloeg. En er innig van genoot. Niet zozeer van de politieke analyses van Roel van Duyn over zijn anarchistische voorgangers, dat kwam pas bij het herlezen. Maar wel van de brutale spotprenten en de algemene sfeer van innige, vrolijke maling die uit het tijdschrift opsteeg als een opruiende damp. Deze opstand tegen het traditionele, patriarchale gezag was muziek in de oren van een jonge scholier.

Twee jaar later keek ik bewonderend naar kleurenfoto’s in de Paris Match, van Daniel Cohn-Bendit – Dany le rouge – en zijn langharige kompanen op de barricades van het Quartier Latin. Het ging om hetzelfde, maar nu feller, internationaler en met minder humor. Ik was voorzichtig begonnen me te bemoeien met schoolpolitiek, als klassenvertegenwoordiger en lid van het onderbouw-bestuur. Nog weer twee jaar later spoelde de golf van democratisering, inspraak en medezeggenschap vanuit de universiteit over mijn middelbare school heen en was ik intussen oud en ervaren genoeg om als leerling aan het front van deze opstand een flinke partij mee te blazen. Om nog maar te zwijgen van de antiautoritaire revolte in mijn ouderlijk huis, die heviger en langduriger was en veel diepere sporen zou nalaten. Door het toeval van tijd en plaats was ik in de leerschool van opstandigheid terechtgekomen, maar ik voelde me er compleet thuis. Opstand, opstand! Boven mijn adolescentie hangt de geur van opstand. Ook onze muziek, de popmuziek van rondom Woodstock, ademde opstand. Toen we het midden jaren zeventig op de Filmacademie nog eens dunnetjes overdeden voelde het eigenlijk al als routine.

Nu geef ik soms les aan studenten en word getroffen door hun vriendelijkheid, hun zachtmoedigheid, hun gebrek aan opstand en de behoefte daar aan. Of beter: ik word me bewust van mijn eigen ingesleten gevoel van je afzetten tegen, van afstand tót en vijandbeeld. Want dat hoort bij opstand, dat heb je nodig anders komt het er niet van. Ik op mijn beurt kan alleen maar blij zijn met hun houding en dankbaar dat mij, als grijze oudere, niet een vijandigheid-bij-voorbaat tegemoet walmt.

Maar ik kan de opstand ook niet zomaar afzweren, als een versleten oude jas. Want het mooiste aan die tijd, de beste samenvattende herinnering eraan, is niet het (verbale) vechten zelf en ook niet het behaalde resultaat – het is de gezamenlijkheid. Samen om een tafel zitten en een plannetje bekokstoven om iets te bereiken – en dat dan ook eendrachtig uitvoeren. Samenzweren voor de goede zaak, een groep dicht bij elkaar onder één klein lampje, zoals op die oude foto van Lenin en zijn kameraden die ik nergens meer kan terugvinden. Met het bijbehorende gevoel van kameraadschap en verbondenheid – dat is de vreugde van de opstand. Ook wij zaten zo om tafeltjes bijeen, als scholieren en als studenten, alleen werden we niet zoals Lenin cs. tot moordenaars. Zo’n cirkel van vurige mannen en vrouwen bijeengehouden door een idee, rond een tafel met één lampje erboven, het trekt me nog steeds enorm. Wat wel hetzelfde was: ook in mijn ervaring verschenen daarna desillusie, ontrouw, desertie en zelfs verraad, als de bijna onvermijdelijke schaduwzijden van gezamenlijkheid. De opstand is een goede leerschool voor het leven.

 

Foto: Daniel Cohn-Bendit en medestudenten in mei ’68

Een Antwoord

  1. Alfred van Cleef

    Een prachtig geschreven en helder stuk dat ook mijn jeugd in Amsterdam heel goed samenvat. Ik twijfelde nog even of er wat de Telegraaf en de dood van metselaar Jan Weggelaar betreft niet had moeten staan ‘vanwege vermeend valse berichtgeving’. Immers, achteraf bleek dat Weggelaar niet door politieoptreden om het leven was gekomen, maar een hartpatiënt bleek te zijn die tijdens de rellen een hartaanval had gekregen. Volgens de bouwvakkers en De Waarheid was de politie schuld, De Telegraaf (die de politie citeerde) schreef eerst dat hij gedood was door een steen (tegel) van een van zijn mededemonstranten, later dat hij een hartaanvaql had gekregen. Dat je dit allemaal weglaat typeert je stuk: op het moment van de aanval op het Telegraaf-gebouw gaf de krant een valse voorstelling van zaken en daar ging het om. Wat je schrijft is dus correct en bondig tegelijk.
    Dank voor deze mooie overpeinzing!