Het Niets revisited

geplaatst in: Filosofie | 0

 

Nog één keer het niets. Maar nu aan de hand van Kant. Van wie? De filosoof Immanuel Kant (1724-1804), inwoner van Köningsberg, voordenker van de Verlichting en te beschouwen als de Mount Everest van de filosofie. Er zijn niet veel onderwerpen waar Kant niet over heeft geschreven en meestal had hij er dan beter over nagedacht dan alle anderen voor hem, en vaak ook ná hem.

Midden in het boek dat wordt gezien als zijn hoofdwerk, de Kritiek van de Zuivere Rede, heeft Kant het eventjes over het Niets. U weet wel, dat geheimzinnige begrip, of eh.. gevoel misschien, waar ik me hier al eens over verbaasde. Want hoe kunnen we zinvol praten over het ‘niets’ als we het ons eigenlijk niet kunnen voorstellen? (Een bepaald soort filosofen doet dat graag, meestal in sombere toonzetting. Het niets bedreigt ons, het boezemt angst in, het is als een lange nacht en ga zo maar door.) Elke keer als we aan niets denken, bijvoorbeeld als iets dat diep is en pikpikzwart, dan denken we dus toch wel degelijk aan iets. Namelijk aan iets dieps en pikdonker zwarts. En het Niets met een hoofdletter, dat moet dan weer de essentie van alle niets zijn – dus opnieuw, ondanks alle ontkenning, toch ook iets. Het niets glipt telkens tussen onze vingers door zodra we het willen concretiseren, schreef ik. Heeft het dan eigenlijk wel zin om ons er druk over te maken?

Enter Kant, met zijn enorme begrippenapparaat. Als een extra’tje, een toegift bij een veel groter onderzoek, behandelt hij in enkele bladzijden het Niets. Ik zal u de hele redenering van de Kritiek besparen, want dit is een bijzonder moeilijk boek dat je niet in één of twee zinnen kunt samenvatten, en als dat al zou lukken is waarschijnlijk niet meer zichtbaar hoe nieuw en verreikend Kants visie was. Kant zet in dit boek ons kennen van de wereld op een nieuwe basis. We kennen de wereld niet door er alleen maar naar te kijken (zoals de empiristen dachten) en ook niet doordat we beschikken over eeuwige begrippen die de rede ons ingeeft (zoals de rationalisten beweerden). We kennen die wereld door een hele precieze combinatie van deze twee mechanismen: het verstand geeft ons vaste categorieën om dat wat via de zintuigen binnenkomt te ordenen en te vormen. En dit proces is bepalend voor al onze kennis. Wij kennen de ‘wereld zoals die op zichzelf is’ helemaal niet! We kunnen alleen oordelen over een wereld zoals die aan ons verschijnt via de zintuigen. En dan nog alleen via de voorgegeven denkvormen waarmee het verstand te werk gaat. Daarmee bedoelde Kant niet dat denken cultuurgebonden is en dat men in China een andere insteek heeft dan in Amerika – hij heeft het over fundamentele denkcategorieën, die voor alle mensen overal geldig zijn. Afijn, u moet dit maar van me geloven, Kant heeft zelf ook honderden bladzijden nodig om de bewijsvoering rond te krijgen.

Maar als hij dit eenmaal bewezen heeft kan hij daarna en passant ook het Niets te lijf gaan. En, verderop, andere ongrijpbare ideeën zoals ‘de ziel’, of ‘god’. Dat zijn namelijk allemaal ideeën waarover de zintuigen ons niets wijzer maken. Kunnen maken. We kunnen god niet zien, en het niets kunnen we ook al op geen enkele manier zintuiglijk tot ons nemen. Daarmee zijn het geen zinvolle empirische begrippen, zoals ‘stoel’ of ‘auto’ of zelfs ‘ruimtevaart’ dat zijn. Kant ziet de eerdergenoemde begrippen dan ook als behorend tot een buitencategorie, van ‘ideeën’ die als het ware de grens aangeven van ons zinvolle denken. Het zijn begrippen aan de andere kant van de schutting, waar we hooguit een vermoeden van hebben. Waar we bang voor zijn, of juist naar verlangen. Of waar we, zoals Kant schrijft over God, op mogen hopen. Zo’n geval is ook het niets, Niets, Niet, of hoe men het ook wil noemen. Het is ‘een begrip zonder object’, een leeg begrip. We kunnen het nog wel denken, maar niets meer dan dat.

Tenminste…. Kant zou Kant niet zijn als hij niet verder wist door te dringen in dit niet-bestaande niets. Hij slaagt er zelfs in om vier verschillende onderscheidingen te maken. Vier manieren waarop niets (voor ons) niets kan zijn. Lees deze zin gerust nog eens over om van de enormiteit van deze onderzoeking doordrongen te raken. Kant lijkt hier zijn eigen grenzen een stukje op te rekken. Het Niets onderverdelen, je moet maar durven. Ik geloof niet dat hij op dit punt nog is tegengesproken. Of het moest zijn door de twintigste eeuwse filosoof Heidegger die graag een flinke scheut mystiek bijmengde in zijn fenomenologische variant op de metafysica. Het niets nietigt verkondigde Heidegger, in een beruchte onheilszwangere formule. En Sartre nam dat weer als startpunt om het bestaan van een zinvolle opdracht te voorzien. Maar over één ding waren ze het wel eens: het niets dat is iets (!) engs en bedreigends, dat is geen lolletje noch een fijne vakantiebestemming, en zeker niets om luchthartig over te doen. En dan te bedenken dat het leven zelf toch al geen pretje is. De mens komt zo akelig klem te zitten tussen twee soorten moeizaamheid: bestaan en niets.

Kant is daar veel te nuchter voor: bij hem wordt het niets onttoverd en alsnog bespreekbaar gemaakt. Niet als iets zintuiglijks, maar als een logisch onderdeel van het denken. Een horizonverschijnsel, of beter: een vlak-áchter-de-horizon-verschijnsel, dat leegte uitdrukt. Vóór die horizon liggen genoeg problemen om ons druk over te maken, lijkt hij te willen zeggen. En anders ga ik dat nu zeggen. Laat dat niets nou maar, dat is niet iets (!) om je druk over te maken. Dat is voor bij een rustig etentje met vrienden, om anderen mee te irriteren en om vrolijk van te worden.

 

Eerdere blog: het-niets-denken
Immanuel Kant Kritiek van de Zuivere Rede (allerlaatste gedeelte van de Transcendentale Analytica)