DUITSE BERICHTEN – 9; De filosofe met de zweep

(juli 2017)  De naam van Bettina Stangneth begint ook in Nederland bekendheid te krijgen, nu haar laatste boek Böses Denken vertaald is: Het kwade denken. De Duitse filosofe had zich in eigen land al een reputatie verworven met Eichmann vor Jerusalem uit 2011. Daar liet ze zien dat Eichmann geenszins een banaal, uitvoerend radertje was in de nazimoordmachine, maar een overtuigde SS-er, bezeten van zowel de antisemitische theorie als van zijn opdracht om het vervoer naar de vernietigingskampen perfect te regelen. Dat was weer niet bedoeld als regelrechte aanval op filosoof/schrijfster Hannah Arendt, die vijftig jaar geleden de term ‘banaliteit van het kwaad’ muntte om Eichmann mee te beschrijven. Integendeel, Stangneth is een bewonderaar van Arendt en haar theorieën over het kwaad. Alleen was Eichmann gewoon een slecht voorbeeld bij een bruikbare theorie.

Haar andere grote voorbeeld is Immanuel Kant, de vader van de Verlichting, over wiens begrip ‘het radicale kwaad’ ze haar proefschrift schreef. In dit nieuwe boek wil Stangneth nu met hulp van deze twee denkmeesters de notie van het kwaad opnieuw bekijken en ontdoen van alle verdoezeling, relativering, wegkijkerij of onnodige banalisering. Ze wil het kwaad onder ogen zien als wat het regelmatig is, namelijk een Kwaad (te definiëren als: handelingen waarmee men anderen moedwillig schaadt) dat niet gerelativeerd moet worden. Het brengt haar in conflict met een hele rij moderne opvattingen en denkrichtingen, die ze met duidelijk genoegen onderuit mept (zonder daarbij namen te noemen) in stevige barokzinnen die zowel getuigen van groot zelfvertrouwen en kennis als van een flinke onderliggende woede. Ze plaatst zich daarmee eerder in de traditie van Nietzsche, de filosoof met de hamer, dan van de zorgvuldig beschouwende Kant.

Stangneth is uitstekend op dreef als ze haar voorbeelden bespreekt. Voor Kant was het denken zelf, het verstand, de allerbeste waarborg tegen kwaad, onmenselijkheid en geweld  “Durf zelf te denken’, luidt zijn beroemde motto. Arendt wist anderhalve eeuw later dat al dat denken de moordpartijen van twee wereldoorlogen toch niet had weten te voorkomen, integendeel. Kan de rede toch niet zomaar vertrouwd worden? Arendt zocht en vond een uitweg in de ‘banale’ houding van velen: zij zetten als het ware hun verstand op nul en gaan meedoen met de rest, een soort verstoppertje spelen van het verstand. Stangneth’s eigen bijdrage en de inzet van dit boek, is om nog een stap verder te gaan en te onderzoeken of het denken zelf niet domweg ‘kwaad’ kan zijn. We hebben het dan niet meer over gedachtenloosheid (Arendt), maar over het kwaad als opzettelijk en gewild verschijnsel. ‘Het foute denken’ was ook een bruikbare titelvertaling geweest. Heel goed dat daar (eindelijk) over geschreven wordt, alleen is het jammer dat de strenge filosofe hier niet meer zo systematisch te werk gaat en het ‘kwade academische denken’ werkelijk overal ziet opbloeien. Dat neemt niet weg dat ze regelmatig raak steekt, in vlammend-ontluisterende formuleringen: ‘empathie is de noodzakelijke voorwaarde voor sadisme’ is er zo één, bij een aanval op het huidige troetelbegrip empathie. Stangneth speelt met graagte de rol van sloper van de heersende correctheid in de filosofie.

 

Speciaal de moeite waard vond ik haar kijk op de ontaarding van de publieke discussie op het internet, een thema waar ik me ook af en toe mee bezig houd. In Engeland en Amerika eisen sommige studentengroeperingen tegenwoordig een safe space, schrijft Stangneth kritisch, een veilige ruimte waar men beschermd wordt tegen bepaalde meningen die beledigend kunnen zijn voor minderheden. Ook eist men het recht om overtreders te verwijderen. Deze ogenschijnlijke verdediging van pluriformiteit wordt echter in de tegenovergestelde richting gebruikt: in London werd een Iraanse mensenrecht-activiste het spreken onmogelijk gemaakt omdat ze met haar opmerkingen gelovige moslims zou kunnen kwetsen. De vrije meningsuiting heeft zo plaats gemaakt voor ‘debatangst’ en een ‘recht op behaaglijkheid’ –fulmineert de Duitse filosofe.

Dan maakt ze een bijzondere draai. Ze merkt op dat zij, als oudere auteur, nog weet hoe het was toen de vrije meningsuiting gewoon niet bestond. De open discussie was een vanzelfsprekend doel om voor te vechten en te beschermen. Maar inmiddels worden de universiteiten bevolkt door een generatie die niet anders gewend is. Jongeren leven met de totale openheid van internetfora, waar we kinderen ‘alleen laten met een ongeremde botheid van commentaren’ en geen idee hebben hoe verloren jonge mensen zijn in deze ‘oorlogsomgeving’. Een arena waar nauwelijks interesse bestaat in het oplossen van conflicten – harmonie is saai! – maar des te meer in het oproepen er van. En waar, zoals ik zelf constateerde, de open vraag nauwelijks nog voorkomt, de openlijke klap des te meer. Jongeren leren er, aldus Stangneth, dat meningsvrijheid eigenlijk gelijk staat aan aanval en agressie. Dan wordt de behoefte aan een meningsvrije safe space ineens veel begrijpelijker.. Voor wie leeft in de verwrongen werkelijkheid van webfora voelt meningspluralisme niet aan als vrijheid, maar als een slagveld en een directe bedreiging. Hoe intens ironisch: meningsvrijheid leidt zo tot z’n eigen tegendeel, namelijk onvrijheid en onderdrukking!

(Wat is eraan te doen? ‘Regels en gebruik van verstandige communicatie moet men leren en oefenen’, stelt Stangneth. In mijn nieuwe boek Filosofie van de Jamsessie bespreek ik hetzelfde onderwerp, van de vrije meningsuiting die verwordt tot vrije scheldpartij. Net als zij wijs ik op de belangrijke en opbouwende rol die regels te spelen hebben.)

 

Voor Stangneth is dit slechts één voorbeeld tussen alle vormen van ‘kwaad denken’ die zij bespreekt. Daarin overtuigt ze me niet helemaal. Eerder vind ik het een treffend voorbeeld hoe in het moderne intermenselijke verkeer zaken regelmatig in hun eigen tegendeel omslaan. Een fraaie democratische verworvenheid – het recht op meningsuiting, ooit bedoeld om de machtelozen een wapen in handen te geven – slaat om in een aanvalswapen om anderen de mond te snoeren. Een volstrekt wenselijk model van meningsveelvoud, wat vrijheid zou moeten betekenen, verandert in bedreiging en onvrijheid. Hoe krijgen we dat toch voor elkaar, die paradoxale beweging waarbij vrijheid omslaat in onvrijheid, revolutie in dictatuur? Zijn we niet bestand tegen een stootje, wat nu eenmaal de prijs is die je moet betalen voor meningsvrijheid? Zijn we niet in staat om maat te houden bij het hanteren van een nieuwe vrijheid? Allebei misschien?

Duidelijk is dat elk nieuw menselijk middel niet alleen gebruikt maar ook misbruikt kan worden, dat wil zeggen: gebruikt voor slechte doeleinden. En daar komt het kwaad van Stangneth weer binnenwandelen: het is inderdaad een vorm van denken. We kunnen ons altijd de andere mogelijkheid voorstellen, dat brengt ons vermogen tot denken zelf met zich mee. Stoppen voor een rood stoplicht wil altijd ook zeggen: zich bewust zijn van de mogelijkheid tot doorrijden. Het kwaad is, zoals de Duitse filosoof Safranski schreef, inderdaad het drama van de vrijheid. En, zoals de nog grotere filosoof Kant beredeneerde, dat drama ligt in het denken zelf. Want denken zelf wil altijd al zeggen: mogelijkheden, keuze, (denk)vrijheid. Mijns inziens is Stangneth hier niet zozeer een foute vorm van denken op het spoor, als wel het vrije denken zelf. Een denken dat telkens over de schutting kijkt en steeds kan ontsporen, puur omdat het alternatieven voor zich ziet.

Het bevrijdende voor zichzelf denken, waar Kant toe opriep, is eigenlijk iets anders: dat is een stil naar binnen keren, niemand nadoen en in zichzelf de morele wet vinden die daar klaarligt. (Zoals Stangneth heel goed uitlegt) Wat zij constateert is eigenlijk dat we die kans telkens laten liggen en ons steeds weer laten meeslepen door een mode, die ons de persoonlijke moraal laat mislopen ten gunste van een tijdelijk gewin. Aan het echte Kantiaanse denken komen we helemaal niet toe. Misschien willen we het gewoon niet? Te saai, te braaf. Het is het foute denken dat de belofte van opwinding met zich meebrengt. Het is de overschrijding die trekt.

 

Bettina Stangneth Böses Denken (2016)
Rüdiger Safranski Het Kwaad, of het drama van de vrijheid (1998)

 

PS: Dit blog staat een tijdje in de spaarstand, vanwege drukke bezigheden: theater met percussie en animatie (N.E.W.S) en een nieuw boek: Filosofie van de Jamsessie. Meer info volgt op mijn homepage.