Mijn dag bij Martin Scorsese

geplaatst in: Film & TV | 0

(21 mei 2017)  Het is meer dan veertig jaar geleden en toen al was Martin Scorsese een beroemde en vooraanstaande regisseur. (En dat is ie nog steeds, elke nieuwe film van zijn hand is een gebeurtenis, wat een carrière.) Ik was 21, net afgestudeerd aan de Filmacademie en voor een lange vakantie naar Amerika’s westcoast afgereisd. En dus ook naar Hollywood, om er een paar filmmakers te bezoeken. Mind you, dit was een tijd dat je om de adressen van filmproducenten te vinden op z’n minst langs moest gaan bij het Filmmuseum. Of een brief (!) moest schrijven naar het Engelse filmblad Sight and Sound, dat betere contacten had dan de Nederlandse filmwereld. Zo kwam ik later terecht op de set van m’n favoriete regisseur Robert Altman, die Three Women aan het draaien was. Scorsese was een ander verhaal. Hij had als jongeman eind jaren zestig in Amsterdam meegewerkt aan een film van Pim de la Parra. En Pim, zeer actief en zichtbaar als regisseur/producent van Scorpio films, had ik intussen een beetje leren kennen. Hij gaf me een introductiebrief mee.

Zo kwam het dat ik weken later, samen met klasgenoot Leo de Boer, toegelaten werd tot het studioterrein van MGM. Ergens in een reuzenhal vonden we de set waar een scène gedraaid werd voor de film New York, New York. Scorsese had kort ervoor Cannes gewonnen met Taxi Driver, hij had ook al het erg sterke Alice doesn’t live here anymore afgeleverd, beide kleinere films. Hij was een van de grootste aanstormende talenten van het moment. Nu maakte hij dus een dure studioproductie met in de hoofdrollen Robert de Niro (ook al beroemd) en Liza Minnelli (een ster) als kibbelend jazz-echtpaar in het New York van de jaren veertig. Niet zo’n heel sterke film, zo bleek het jaar erna, maar wel met lekker intense scènes en natuurlijk met die evergreen van een titelsong, gezongen door Minnelli: I wanna wake up in the city that doesn’t sleep.

Het decor was een dansclub zoals ze in de jaren zeventig van de vorige eeuw al lang niet meer bestonden: met fraai gekleed publiek gezeten aan tafeltjes, een dansvloer en een compleet orkest met zangeres op het grote podium. Groot als een langgerekte Paradiso-zaal en gevuld met Glen Miller-achtige klanken. Aan de muur hingen in neon uitgevoerde jazz-instrumenten. Pure jazznostalgie, toen al. Scorsese zelf, door een assistente met penetrante stem ‘mister Scorsèèssie’ genoemd, was ergens bij het podium bezig met een scène tussen twee acteurs aan een tafeltje. We kregen hem nauwelijks te zien, want de set was afgezet met dranghekken. En achter die hekken stond een man en vrouw of honderd te dringen en te doen alsof zij allemaal recht hadden op een speciale behandeling. Niks gesprekje over Amsterdam of over ‘my good friend Pim de la Parra’, hoe benieuwd ik ook was of hij de brief eigenlijk gekregen had. Het was eerbiedig toekijken van grote afstand. Achter dat hek herinner ik me een hoogblonde vrouw die ongevraagd een map met foto’s van zichzelf wilde tonen aan iedereen om haar heen, want ze had net in de Playboy gestaan. So what? dacht ik. Maar ik kwam dan ook uit een land waar speelfilm een intensieve hobby voor filmgekken was, en nog lang geen industrie waar geld mee kon worden verdiend. Ik moest er aan wennen dat niet alle bezoekers hier net afgestudeerde filmmakers waren, op bedevaart bij een bewonderde vakbroeder.

Uitgebreid praten lukte later wel met cameraman Laszlo Kovacs en zijn crew. Voor hem, zelf afkomstig uit Hongarije, was onze komst als piepjonge filmers vanuit Europa iets bijzonders. Hadden we eigenlijk wel onderdak? Nee, we hadden alleen een auto. Die avond sliepen we in het huis van een vriend van de cameracrew, Kovacs stond er op. Ze waren enorm gastvrij en wilden van geen bedankje horen. Maar Marty die ‘straks nog wel even langs zou komen’, liet zich definitief niet meer zien. Vermoedelijk was hij toen net stiekem bezig met de voorbereidingen voor The Last Waltz, zijn volgende klassiek geworden film, over het afscheidsconcert van The Band dat kort daarna plaatsvond. Hij deed dat werk clandestien, buiten de producent van NYNY om, zo heeft ie later eens verteld. Oké, het is een goede reden om ons niet even de hand te komen schudden. En het bezoeken van de MGM-studio was ook zo al indrukwekkend. De mannen-wc’s bleken er van onder tot boven volgeschreven, niet met flauwe grappen of politieke graffiti zoals we in Amsterdam gewend waren, maar met telefoonnummers voor homo-ontmoetingen en grote geslachtsdelen.

De grootste verrassing was dat die hele megaset, die hele praatscène en dat hele orkest plus dansers in de achtergrond – in de bioscoopfilm zelf niet voorkwamen! Weggesneden. Best bijzonder. Voor het geld van één zo’n studiodag kon je in die tijd in Nederland een halve speelfilm maken, misschien wel een hele. De producenten hadden in een laat stadium twintig minuten uit New York, New York verwijderd. Later kwam er alsnog een langere versie (director’s cut), die nu hopelijk gedraaid wordt in het grote Scorsese-retrospectief in Eye. Dan ga ik toch nog eens kijken of de set met de neon-instrumenten er alsnog in zit. Sowieso zie ik uit naar de tentoonstelling over de onvermoeibare filmmaker en filmgek Scorsèssie. En stiekem hoop ik dat ie snel weer een muziekdocumentaire maakt zoals die over Dylan (No direction home), of misschien nog eens een kleine speelfilm die niet over gangsters gaat.