WAT ZINGEN ZE NOU? – slecht begrepen liedteksten

geplaatst in: Filosofie, Muziek | 0

VogelVliegtuig

(1 sept 2016)

Het zal begin jaren zestig geweest zijn van de vorige eeuw. Mijn moeder zingt met overgave een liedje, ik herinner me de tekst nog letterlijk.

            Als ik nou toch een kamer had / lekker fijn op m’n eigen zat

            en met chocolade zat/ oh zou dat effe zalig zijn (zalig zijn, zalig zijn).

Het komt uit de musical My Fair Lady, die in die tijd met groot succes in Nederland werd opgevoerd, met Wim Sonneveld in de hoofdrol. Mijn ouders waren gaan kijken en brachten hun enthousiasme mee naar huis. Een piepjonge Seth Gaaikema had een snelle, scherpe vertaling gemaakt, ook van dit liedje waarin het volkse meisje Eliza Doolittle haar wensen bezingt. Dat wist ik allemaal niet, als jongetje van een jaar of zeven. Ik hoorde alleen de tekst en probeerde hem te snappen, maar dat lukte niet. Het was me een raadsel. Dat kwam door de twee ‘zat’s’. Ik wist niet wat ‘een zat’ was en dus begreep ik al helemaal niet hoe je het dan kon hebben over je ‘eigen zat’. En pal erachteraan kwam nog een zat die iets met chocolade te maken had, maar wat precies?

Teksten van populaire (Nederlandse) liedjes zijn denk ik één van de belangrijke hulpmiddelen voor kinderen om een taal te leren gebruiken. Mij stelden ze ook herhaaldelijk voor grote problemen. Wat te denken van Johnny Lion die over zijn geliefde Sophietje zong, in een liedje zo simpel en helder dat ik de tekst vijftig jaar later nog steeds moeiteloos kan meezingen. Maar middenin die kraakheldere boodschap van verliefdheid kwamen toch ineens scheurtjes, als hij zong:

Iets wat Cupido wel weet – dat was duidelijk volwassenengeheimtaal, Cupido?

Dat ze mij meteen iets deed – dat was pesterij in mijn eigen taal. Wat ‘deed’ ze hem dan? Gaf ze hem een zoen soms en waarom zei hij dàt dan niet? Maar het toppunt van mysterie moest nog komen:

            Ik zag meisjes in Parijs en in Turijn/ in Tokyo en Moskou en Berlijn

            waar ik op de wijde wereld was, ze mochten er best zijn.

Hiervan was ik totaal perplex. Zo’n avontuurlijk leven wilde ik ook hebben, over de hele wereld reizen en naar meisjes kijken – maar als je dan zo’n Moskouse schone zag, waarom dan zeggen dat ze daar ‘mocht zijn’? Van wie mocht dat? Natuurlijk mocht ze daar zijn, ze woonde er immers! Waarom deed Johnny Lion moeilijk over zoiets vanzelfsprekends? Ik kreeg het gevoel dat er in deze liedjes een boodschap zat die speciaal bedoeld was voor volwassenen en waarvan ik op een slinkse manier was uitgesloten. Dat ze gedeeltelijk in code waren geschreven.

De verwarring kon natuurlijk ook ontstaan doordat je iets gewoon niet goed verstond. Zo zong Willeke Alberti in een verder goed te begrijpen lied over een aanstaande bruiloft ineens:

            Voorbij gaat de tijd, een vogel vliegtuig.

            (Ding dong, ding dong dong, morgen ben ik de bruid)

Hoezo een ‘vogel vliegtuig’? Bedoelde ze soms een vogel in een vliegtuig? Dat vond ik een mooi en geheimzinnig beeld: een vogel pijlsnel heen en weer scherend in de cabine, vlak over de hoofden van de passagiers (bukken!) en over de volle lengte van het gangpad. Het had iets van wanhopige opgeslotenheid. En dat klopte weer met de teneur van het liedje over de bruiloft, want dat klonk helemaal niet zo vrolijk. De tijd gaat zomaar voorbij, een vogel zit opgesloten in een vliegtuig, en trouwen zal dus ook wel een soort gevangenis zijn. Ook moest ik denken aan wiskundige opgaven in de trant van: hoe snel beweegt de vogel als hij in de richting van de cockpit vliegt, hoe snel als hij tegen de vliegrichting in gaat? Maar ik had het gevoel dat dit toch niet precies de bedoeling was van Willeke Alberti.

In weer een ander lied, uit de musical Heerlijk duurt het langst van Annie M.G.Schmidt, bezong een vrouw het verschil tussen haar man en een vriend:

Jan is om op de rug te vallen, tussen twee bazen.

Hoezo? dacht ik. Wat bedoelen ze nu weer? Ongetwijfeld werden hier geheimen van het volwassen leven bezongen. Vooral wilde ik graag weten wie er nu precies op wiens rug viel. Was dat Jan zelf, was dat misschien zijn taak? Of was het de vrouw zelf, die op de rug van Jan viel? Ik zag voor me hoe de arme Jan op de grond ging liggen (op z’n buik waarschijnlijk?) precies tussen die twee bazen in, zodat de zingende vrouw zich op hem kon werpen. Wat een gedoe! Wat een vreemde rituelen vonden er plaats in de wereld van bazen en secretaresses.

Het ging hier om een andere onbegrijpelijkheid dan die optrad bij Engelse popliedjes. Daar begreep ik de tekst gewoon niet van, maar zong hem wel hardop mee, als was het een serie stoere gevoelskreten zonder betekenis (Come a little bit closer of: Let’s spend the night together). Al mijn generatiegenoten hebben voorbeelden paraat van Engelse songs die ze op hun gehoor aanleerden en jarenlang (foutief) meezongen zonder een flauw benul van hun betekenis. Mijn eigen taal daarentegen wilde ik precies begrijpen en daarom kon ik de onbegrijpelijke zinswendingen gewoon niet uitstaan.

Inmiddels weet ik dat dit, goed verstaan, inderdaad voorbeelden zijn van een soort codes binnen de spreektaal: de code van de metafoor of het gezegde, de uitdrukking die niet letterlijk is. Het zijn dit soort vaste uitdrukkingen die je als kind parten kunnen spelen. ‘Op jezelf zitten’ is er zo één, en ‘op je eigen’ is daar weer de vervolkste versie van. Zat betekent in een bepaalde context ineens ‘ruim genoeg hebben ergens van’ en dat een vogel niet alleen kan vliegen maar ook uitvliegen moet je maar net weten. ‘Er zijn mogen’ of ‘iemand iets doen’ zijn afleidingen van de oorspronkelijke, letterlijke betekenis, maar geven er een nieuwe draai aan, net als ‘terugvallen op. Je moet de betekenissen van zulke zegswijzen in hun geheel aanleren. Je kunt ze niet terugbrengen tot de letterlijke betekenis van de onderdelen, dan worden ze vaak absurd.

Het proces van taalverwerving en het bereiken van de status van ‘competente taalgebruiker’, waar taalfilosofen zo graag over spreken, bestaat voor een deel uit het aanleren van dit soort taalconstructies die helemaal niet logisch of vanzelfsprekend zijn. Taalspelen op niveau zijn het eigenlijk, een niveau dat ze eraan ontlenen dat ze juist niét letterlijk zijn. Als een tweede verdieping die je pas kunt bereiken als je de eerste niet alleen kent, maar ook genoeg ruimte in je hoofd hebt om hem te overstijgen. Net als ironie, ook zo’n tweede verdiepingsfenomeen in de taal. Ergens tijdens de schooltijd leer je het en daarmee verdwijnen de mysteries. Sommige mensen leren het nooit en blijven je vreemd aankijken als je een uitdrukking gebruikt als ‘een vogel vliegt uit’. Maar soms verlang ik terug naar de tijd dat deze verdieping in het taalgebouw nog ontdekt moest worden, de tijd dat een slecht begrepen metafoor een wereld van geheimzinnigheid en onnavolgbare onlogica opende. Een vogel in een vliegtuig en een man die zijn rug beschikbaar stelt voor vallers, de wereld vreemd en betoverd.